De Engelse schrijver Samuel Taylor Coleridge noemde het ‘the willing suspension of disbelief’; het bewust opschorten van het besef dat je bij het bezoeken van een film of theatervoorstelling kijkt naar acteurs die een rol spelen en dat wat je ziet ‘niet echt’ is. Op grond van die willing suspension kunnen acteurs, mits hun spel overtuigend is, in principe elke rol spelen die niet samenvalt met wat ze zijn: mannelijk, vrouwelijk, wit, zwart, queer, straight, rijk, arm, jong of oud….
Maar hoe ver mag die verbeelding van de ander gaan? Bestaan er eigenlijk wel ethische grenzen bij de verbeelding? Kunst is toch de vrijplaats waar alles kan? Het is allemaal fantasie, fictie, toch? Of niet?

In de aanloop naar de voorstelling ‘Our Time’, een stuk waarin jonge mensen hun dromen, twijfels en verwachtingen uitspreken over hun toekomst, zag een student na bestudering van het script af van deelname omdat ze moeite had met sommige scenes:

“In het stuk staan thema’s waarvan ik zeker denk dat het belangrijk is dat deze aan het licht worden gebracht. Echter zit mij iets niet lekker. Ik heb begrepen dat er niemand in de groep zit die zich, op een podium, mag/kan spreken over kroeshaar en cornrows. Ook de monologen over Gaza en Oekraïne zouden naar mijn mening op z’n minst mensen moeten zijn die zelf uit oorlogsgebied komen.”

Vanwege de in haar ogen onvoldoende diverse samenstelling binnen de theatergroep was het haar duidelijk: “Its not our story to tel!”
Ze raakte daarbij aan een – ogenschijnlijke- tegenstelling. Theater maken met studenten, zoals wij de laatste jaren hebben gedaan, vertrekt onder meer vanuit de gedachte dat studenten ervaren hoe het is om zich via een personage te verplaatsen in de leefwereld van iemand anders. Hoe beter je dat lukt, hoe dichter je bij dat personage komt, hoe beter je de rol kan spelen. Maar als je dat doet door een personage te spelen dat niet samenvalt met je eigen identiteit, belangen en ervaringen, eigen je je dan niet – al is het tijdelijk- de identiteit van een ander toe? Wie ben jij als acteur om het verhaal van een ander te spelen? Zou, bijvoorbeeld, het verhaal van de gevolgen van de slavernij niet eigenlijk altijd en alleen gespeeld kunnen – en mogen – worden door iemand van wie dit deel uit maakt van zijn of haar persoonlijke geschiedenis? Wie is de ‘eigenaar’ van het verhaal? Wanneer gaan in- en verbeelding een grens over?

Voor de student die ons schreef niet langer mee te willen doen was het duidelijk:

“Het inleven in bepaalde rollen zou geen obstakel moeten zijn, maar de vrije interpretatie vervalt zodra in het verhaal de (raciale) identiteit/afkomst van belang is voor het personage. Het resoneert niet meer in deze tijd om deze rol respectvol en geloofwaardig neer te zetten als wit persoon. Dan neigt het al gauw naar culturele toe-eigening”.

Maar als we uitgaan van de stelling dat alleen nakomelingen van slaafgemaakten dit verhaal op het podium mogen spelen begeven we ons dan niet op het gladde terrein van de typecasting? Acteurs van Marokkaanse afkomst worden in Nederlandse films en series regelmatig gecast voor de rol van de spreekwoordelijke allochtone kruimeldief of drugscrimineel. Sommige acteurs van Marokkaanse afkomst vinden dat ongemakkelijk, of weigeren een dergelijke rol, omdat ze, wellicht niet ten onrechte, daardoor denken bij te dragen aan de vooroordelen onder het (witte) publiek.

Dus hier lijken we klem te zitten tussen ‘eigenaarschap’, culturele toe-eigening en typecasting. Op het eerste gezicht lijkt een verhaal inderdaad aan kracht te winnen als een vrouwelijke acteur het slachtoffer van een verkrachting speelt. Bovendien is een verkrachting (van een vrouw) voor het slachtoffer zo ingrijpend en zo verbonden met haar vrouw-zijn dat elke mannelijke acteur die dit zou moeten spelen wel drie keer zal nadenken; kan ik dit overtuigend genoeg spelen en in hoeverre doe ik afbreuk aan het verhaal wanneer de woorden uit mijn (mannelijke) mond komen?  En de student had zeker een punt wanneer witte acteurs een zwart personage zouden spelen. Misschien niet eens zozeer vanuit het idee van culturele toe-eigening, maar wel omdat daar al gauw de racistische geur van ‘whitewashing’ omheen hangt: de veronderstelling dat een publiek meer open zal staan voor een verhaal over slavernij en onderdrukking wanneer het uit een witte mond komt. (En was het immers niet Elvis Presley die de ‘zwarte’ muziek acceptabel maakte voor het grotere witte publiek?)

Maar hoe moet het dan wel? Als je wil dat studenten zich kunnen verplaatsen in de leefwereld van iemand anders omdat je denkt dat je daar mee een brug kunt slaan tussen verschillende perspectieven wil je juist wel dat ze ‘bij de ander op bezoek gaan’ zoals de filosoof Hannah Arendt dat noemt. Zij moeten het verhaal van een ander zich dus wel eigen maken en zich deels met hun personage identificeren om op die manier toegang te krijgen tot de emoties en beweegredenen van een ander.

Maar hier komen we, denk ik, uit op de waarde van theater (romans, films of welke andere vorm van fictie). Iemand spelen is nog niet iemand zijn. Theater ontleent haar inhoud aan de realiteit, maar is tegelijkertijd puur verzonnen. Theater liegt de waarheid. Die ‘leugen’ bestaat ook uit de rol die de acteur die iemand speelt die hij/zij niet is en heeft een functie. Namelijk dat het de ruimte biedt om de waarheid te bestuderen en te onderzoeken door te spelen. Jonge kinderen doen niet anders: wanneer zij ‘vader-en-moedertje’ spelen, liegen ze de waarheid om op die laatste grip te krijgen.
Kinderen beseffen echter dat ze spelen. Ze weten heel goed dat ze ‘maar een rol spelen’ en dat werkelijkheid en fictie weliswaar verbonden, maar twee verschillende dimensies zijn. Op het moment echter dat voor mensen moeilijker wordt om feit en fictie van elkaar te scheiden of dat van kunst wordt geëist dat ze niet meer mag liegen verwordt de kunst tot een tot een politieke arena waarin mensen voor elkaar gaan bepalen wie welke stem toekomt. Kunst is echter, zoals Micha Wertheim schreef, “een hermetisch gebied waar we onze fantasie de vrije loop kunnen laten. Een plek waar de maker en het publiek even vrij kunnen zijn van de morele krachten die ons in het dagelijks leven verhinderen om naar onze vaak immorele impulsen te handelen”. Als je het zo beschouwt mag elke acteur elke rol spelen, al hangt het er natuurlijk wel van af hoe hij of zij dat doet en op welke manier het personage wordt gerepresenteerd. Niet als stereotype, niet door typecasting of iets toe te eigenen maar als iemand van vlees en bloed, met emoties, verlangens en behoeftes die iedereen kan voelen en begrijpen ongeacht kleur, gender, geaardheid of wat dan ook.

Als je theater maakt met studenten wil je als docent vanzelfsprekend dat het allemaal een beetje soepel verloopt. Het maken van een voorstelling is al moeilijk zat. Maar aan de andere kant laat de discussie met de afgehaakte student ook wel zien dat theater in het onderwijs kan leiden tot gesprekken die ertoe doen. Want theater, kunst, zo stelt onderwijspedagoog Gert Biesta “ [is de] voortdurende, letterlijk nooit tot een einde komende verkenning van de ontmoeting met het andere en de ander, de voortdurende en oneindige verkenning van wat het zou kunnen betekenen om in met de wereld te (be-) staan.”

Geef een reactie