Zoeken

LECTORAAT CHANGE MANAGEMENT

De theorie van de praktijk

Den Haag heeft stedelijke innovatie laboratoria. Duindorp herbergt er een van. De gemeente zoekt daar in samenwerking met onder meer de Haagse Hogeschool naar nieuwe manieren om om te gaan met de karakteristieken van dit vroeger vooral door vissers bevolkte deel van de stad. Karakteristieken worden door de buitenwereld beschreven als ‘racisten’ die ‘allochtonen wegtreiteren’. In de binnenwereld gaat het erom de eigen buurt die de eigen buurt moet blijven. Omdat iedereen elkaar kent en steunt als dat nodig is. En het is gewoon gezellig.

Nu geen verslag van wat dat allemaal oplevert maar een opstap naar de aankondiging van een conferentie. Onlangs organiseerde de International Metropolis Conference samen met het lectoraat Grootstedelijke Ontwikkeling van de Haagse Hogeschool een workshop in het Duindorpse lab. Donato Ricci, verbonden aan Sciences Po in Parijs en Paolo Patelli van onder meer de Design Academy in Eindhoven leidden een experiment tegen de achtergrond van ‘controversy mapping’. Het is een werkwijze die zijn oorsprong vindt in de Actor-Network Theory, waaraan de naam Bruno Latour is verbonden. In zijn médialab van Sciences Po is die theorie, die geen theorie is volgens Latour, vertaald in een handelbaarder methode die ook in Duindorp wordt ingezet.

Op vrijdag 17 november wordt in de Radboud Universiteit Nijmegen een symposium aangeboden die ook verbinding heeft met Latour, en met Duindorp. Het gaat over practice theory en het wordt ingeleid door Elizabeth Shove. Zij heeft veel geschreven over transities in de dagelijkse praktijk in relatie tot kwesties als energie transitie en klimaat verandering. Ook dat zijn onderwerpen waarmee in Haagse stedelijke innovatie laboratoria wordt geëxperimenteerd. Aanbevolen voor degenen die direct of indirect met experimenten in de stad aan de slag zijn.

Meer informatie op: http://www.ru.nl/nsm/imr/news-events/events/events/virtuele-map/interdisciplinary-symposium-on-practice-theory/

De opkomst van een discipline

Het afgelopen weekend herlas ik het essay The Rise of English van de Britse literatuurwetenschapper Terry Eagleton. In dat essay verkent Eagleton hoe literatuur een onderwerp werd voor modern academisch onderzoek. Een essentieel element daarin is de relatie tussen literatuur en de Engelse samenleving. Eagleton omschrijft hoe de invloed van de kerk aan het einde van de 19e eeuw sterk afneemt, waardoor er zich een ideologisch vacuüm vormt. Het is de taak van Engelse Literatuur om dit gat te vullen. Zodoende wordt literatuur als moralistisch van aard beschouwd en dient het toegang te bieden tot Grote Vragen, zoals wat het bijvoorbeeld mag betekenen om ‘Engels’ of ‘Mens’ te zijn.

Hoewel de universitaire studie van literatuur aan het begin van de 20ste eeuw traag maar gestaag op gang op kwam, vergezeld van de door de Britse overheid gesteunde popularisering van literatuur onder de ‘working class’, kwam er in het derde decennium rap een verandering op gang, aldus Eagleton: “In the early 1920s it was desperately unclear why English was worth studying at all; by the early 1930’s it had become a question of why it was worth wasting your time on anything else … Far from constituting some amateur or impressionistic enterprise, English was an arena in which the most fundamental questions of human existence – what it meant to be a person, to engage in significant relationships with others, to live from the vital centre of the most essential values – were thrown into vivid relief and made the object of the most intensive scrutiny.”

Het voelt voor mij als literatuurwetenschapper in zekere zin alsof de geschiedenis zich nu herhaalt en we honderd jaar terug zijn. De vraag ‘waarom literatuur studeren?’ vraagt ook nu maatschappelijk om (soms onmogelijke) rechtvaardiging, terwijl we de vragen die in het citaat worden geponeerd – wat het betekent om mens te zijn, hoe we betekenisvolle relaties met anderen aan te gaan, en ons tot verschillende vormen van waarde verhouden – niet als minder relevant ervaren. Dat roept de vraag op wat de huidige relatie is tussen de literatuurstudie en die vragen.

Het bestuderen van literatuur vraagt in ieder geval om twee dingen: voor een langere periode stil en geconcentreerd zitten, en aandachtig en zorgvuldig lezen. Volgens critici zoals Nicholas Carr doen we deze twee dingen nog wel, maar steeds meer separaat, zo lijkt. We zitten uren achter schermen te werken en te kijken, en we lezen de hele dag door, maar wel kleine stukjes tekst en on the go. We zijn gehaast en in beweging, maar kunnen ook uren in de luie stoel Netflixen in plaats van Toni Morrison of Mallarmé open te slaan. Deze ontwikkeling betekent echter nog niet dat we Eagletons vragen niet zonder literatuur kunnen beantwoorden.

De vragen die Eagleton poneert zijn namelijk geen vragen die door literatuur moeten beantwoord worden. We kunnen in theorie ook zonder. De vraag is dan; wat gaat er verloren als we de literatuur links laten liggen? De Engelse literatuurtheoretici van de jaren 30 hadden daar een antwoord op, dat even idealistisch als elitair is: de kwaliteit en creativiteit waarmee een samenleving zichzelf in taal uitdrukt en begrijpt, is cruciaal voor de kwaliteit van het persoonlijke en sociale leven van die samenleving.

Ook in een samenleving waar literatuur wordt verdreven naar de marges van onze aandacht kunnen we nog praten over wat het betekent om mens te zijn en betekenisvolle relaties met anderen aan te gaan. De vraag is of dat gesprek van een kwaliteit is die wij als samenleving willen.

Useless Jobs

The land of technology and artificial intelligence still uses a high quantity of manual labor. As I was travelling though Japan this summer with a minivan, my family and I were frequently guided to the selected lane by a man (sometimes a woman) because of road construction. Not an automated sign. In the burning sun this person in full uniform was waving a flag to indicate whether we had to stop or continue. During the holiday season Japan also has a lot of road maintenance, so many people were employed to steer us in the right direction.

We had to laugh every time we saw this, pitied the person in the sweaty uniform and I asked my husband why there are so many useless jobs in Japan.

But who am I to pity them? The feature of this month’s Harvard Business Review titled “Happiness Traps: How We Sabotage Ourselves at Work,” states that everyone wants to find meaning and purpose in the job, whether it is the janitor, middle manager or CEO. The higher the job does not necessarily mean the more meaning and purpose. Looking back at the wavers, they all had their own particular pattern of waving the flag, and seemed to have a 100% success rate in guiding the drivers well.

In one of my favorite books, The Unbearable Lightness of Being by Milan Kundera, the main character Tomas changed his job from a successful surgeon to a window cleaner. And he liked it:

“Here he was, doing things he didn’t care a damn about, and enjoying it. Now he understood what made people (people he always pitied) happy when they took a job without the compulsion of an internal ‘Es muss sein!’ and forgot it the moment they left for home every evening. This was the first time he felt that blissful indifference.”

Tomas did not lose sleep over his work anymore.

As one of the flag waver peers through the front window and sees a western woman in the passenger seat (s)he might think: ‘Poor lady, running from class to class, trying to steer her students in the right direction but already noticing collision, spilling coffee over her favorite dress and then going to class smelling like a coffee machine. Cramming in research on Thursdays and losing sleep to finish her first HHS blog on time.’

Kunst in Kassel: geen sinecure

Eens in de vijf jaar biedt de Documenta in Kassel, Duitsland, een ‘state of the art of art’. Op dit moment vindt dit grote kunstevenement voor de 14e keer plaats. Al in februari besloten een aantal leden van de Kenniskring van het lectoraat Change Management én de lector samen de Documenta te bezoeken. Niet zo vreemd, aangezien “make art work” één van de onderzoeksmotto’s is van het lectoraat.

30 juni was het zover: 8 personen, 3 dagen Kassel, 2 x 7 uur -Ausdauer- treinen: genoeg tijd om in te lezen. Sommige besprekingen meldden ‘een vergaarbak van kunst die de naam kunst amper verdient’, ‘open deuren’, ‘teveel, te uitgebreid’. Verontrustend? Andere recensies gaven aan dat deze Documenta is opgezet als opgave voor de kijker om zelf de kunst te herdefiniëren vanuit een nieuw nulpunt, als breuk met de gevestigde orde in de kunstwereld. Geruststellend, omdat dit het werkwoord ‘werken’ in het vooruitzicht stelde: kunst zelf zien, ervaren en overdenken –een vorm van werken dus- is altijd het beste, want niets is ontroerend, mooi of afstotelijk omdat een ander dat voorschrijft.

Nu, na terugkomst is wel duidelijk dat we afzonderlijk en met elkaar hard gewerkt hebben om deze kunst te zien, te ervaren en te bespreken of bijna over het hoofd te zien, want sommige werken lijken alledaags, maar zijn dat allerminst. Zoals de obelisk op een plein, waar juist een Duitse fanfareband gemütlich speelt, met een opschrift in o.a. zowel het Duits als in het Arabisch: “Ik was een vreemdeling en jullie hebben me een huis gegeven”: Monument for strangers and refugees van Olu Oguibe (foto: S. Smallenburg).

Of de inscriptie “BEINGSAFEISSCARY” van Banu Cennetoğlu in de timpaan van het vanouds belangrijkste expositiegebouw, die tijdelijk “FRIDERICIANUM” vervangt. Verwijst dit niet naar het gevoel dat menigeen ervaart door de aanwezigheid van gewapende militairen in heel wat Westerse steden?

Niet over het hoofd te zien is het Parthenon van boeken, dat verwijst naar de ‘vuile oorlog’ in Argentinië in de jaren 80, vorige eeuw. Op ware grootte is het Parthenon met steigermateriaal nagebouwd, waarin duizenden, destijds in Argentinië verboden boeken, zijn verwerkt. Het staat, niet toevallig, op de Friedrichsplatz, waar tijdens WOII boekverbrandingen plaats hebben gevonden (ja, weer een Godwin).

Deze voorbeelden zijn typisch voor deze Documenta, die de bezoeker continu confronteert met urgente politieke kwesties zoals de vluchtelingencrisis, de neoliberale globalisering, rechts populisme en democratie (die in de steigers staat).  De curatoren onthouden zich van interpretatie en willen een eenduidig narratief vermijden. Als bezoeker ronddwalend op deze Documenta, word je overweldigd met een stortvloed aan politiek engagement en de geschiedenis van macht in de wereld. Geef daar maar eens, als wereldburger, je eigen betekenis aan. Documenta is er nog tot 17 september: niet zo geruststellend en vooral hard werken!

http://mymodernmet.com/marta-minujin-parthenon-books-documenta/

https://www.artsy.net/article/artsy-editorial-documenta-14-struggles-statement-uncertain-times

https://artreview.com/reviews/online_review_june_2017_documenta_14_kassel_raimar_stange/

https://frieze.com/article/documenta-14-kassel-overview

https://www.nrc.nl/nieuws/2017/06/09/documenta-in-kassel-2017-a1562371

 

De werkvloer: podium voor professionele ruimte

Prelude  Bij een theatervoorstelling zijn de plaatsen met het beste zicht, waar het spel optimaal kan worden meebeleefd, de duurste plaatsen. Wanneer er geen vaste zitplaatsen zijn, vormt zich een rij bij de zaaldeuren om een plaats vooraan te kunnen bemachtigen: het publiek wil het liefst bovenop de voorstelling zitten. Bij bijeenkomsten in organisaties werkt het dikwijls juist andersom.

Daar worden de stoelen als eerste bezet die het verst van de spreker, vaak de leidinggevende, zijn en kiezen veel medewerkers er voor “het van een veilige afstand te bekijken”. Is dit herkenbaar is? Dan kunnen we – vanuit de theatermetafoor – de volgende vragen stellen: wat zegt dit over het pakken van het podium, het spelen van hoofd- en bijrollen, wie biedt er tegenspel, of is er misschien sprake van plankenkoorts? Dergelijke metaforen worden veel terloops gebruikt in organisaties, maar als we nu eens serieus gaan onderzoeken wat het pakken van het podium in een organisatie betekent of het bieden van tegenspel, dan gaat het over meer dan positie innemen in de fysieke ruimte, dan gaat het over professionele ruimte in een organisatie: de verkenning, benutting en invulling ervan.  Om met dat laatste aan de slag te gaan is de workshop: “De werkvloer: podium voor professionele ruimte” ontworpen.

Hoe betreden we dat podium?  In de workshop staat het verkennen en samen invullen van de professionele ruimte centraal door te werken met elkaar vanuit het perspectief van de theaterwereld, waar het ook wemelt van de professionals: acteurs, regisseur, ondersteuning (o.a. belichting, geluid, décor). Ook daar is professionele ruimte een constante factor:  rolverdeling, interpretaties van óf het ontbreken van een script, de interacties in het samenspel, begrip, onbegrip, en uiteindelijk het op elkaar ingespeeld raken en het groeien in een rol.  Door oefeningen en repetities wordt de beschikbare speelruimte afgetast, en gaandeweg ingevuld in samenspel en krijgt de voorstelling vorm.

Dat kan ook werken voor een team professionals uit een totaal andere beroepsgroep. Stap daarom eens uit de gebruikelijke bespreek- en vergadermodus over dit onderwerp en doe samen theateroefeningen. Daardoor wordt de ruimte bespreekbaar en hanteerbaar en ontstaan nieuwe ervaringen en inzichten. In de nabespreking worden deze gedeeld om zo de invulling en de benutting van de professionele ruimte in de eigen organisatie in beeld te brengen.

Vergelijking van rollen in theater en organisaties

Theater Organisatie
Regisseur Leidinggevende
Medespelers Collega’s
Publiek Belanghebbenden
Script, tekst Communicatie
Podium Werkvloer (variabel)

Waarom is het zo belangrijk om in organisaties samen invulling te geven aan professionele ruimte?   Professionele ruimte is nodig om als professional je vak goed uit te kunnen oefenen, om tot kwaliteit te komen, in welke professie dan ook. Alleen, ruimte bestaat slechts bij de gratie van grenzen en krijgt pas betekenis in de context: ruimte ten opzichte van wie of wat? Er kan sprake zijn van harde grenzen door regulering (wet- en regelgeving), van minder harde grenzen door standaardisatie (protocollen) of van zachte grenzen (door voorlichting, overtuiging). Professionele ruimte, hard, minder hard of zacht, krijgt altijd pas betekenis wanneer er van twee kanten mee wordt gespeeld: door diegene die de ruimte verleent én door diegene aan wie de ruimte wordt gegund en hoe die de ruimte benut. Het is daarom van belang zowel de verstrekker(s) als de ontvanger(s) van de ruimte in een organisatie, met elkaar als team de wederzijdse verwachtingen bespreekbaar maken en deze op elkaar afstemmen om de beschikbare ruimte goed te kunnen benutten in de organisatie.  Daarbij is aandacht nodig voor de harde, minder harde en zachte grenzen: de structuur, cultuur en competenties van elk. De praktijk leert dat dit gesprek niet consequent plaats vindt, waardoor de één de ruimte als klein en benauwend ervaart, terwijl de ander juist grote mogelijkheden ziet binnen dezelfde organisatie. Dit verschil in ervaren ruimte leidt dikwijls tot teleurstelling over de performance.

De workshop “De werkvloer: podium voor professionele ruimte” hanteert een constructieve ‘out-of-the-own-box’ benadering om samen tot invulling van de professionele ruimte te komen.

Nieuwsgierig geworden?   Neem dan contact op met Fenna Hup: F.Hup@hhs.nl

Spelen met controversen

Een onderzoekslunch van het Onderzoeksplatform Connected Learning, op 3 juli aanstaande om 12.30 uur in het Innovation Playground van de Haagse Hogeschool gaat over controversen. Een het spelen daarmee. Haagse stedelijke innovatie laboratoria –InnoLabs– bieden daarvoor de ruimte. In Duindorp bijvoorbeeld, waar het onder meer gaat over de spanning tussen wat buurtbewoners een rechtvaardige woning-toedeling vinden en hoe gemeente en woningcorporatie daarover denken.

Kwartiermaker InnoLabs van de Haagse Hogeschool, Rob Ruts, vertelt over wat manieren zijn om controversen nuttig te gebruiken. Dat gaat ook aan de hand van een Lab-Log dat hij samenstelde. Het Lab-Log is een lab-experiment op zich, al was het alleen vanwege het gebruik van kunst, design en persoonlijke beleving in het geven van een beeld van de ontwikkeling van InnoLabs.

Het Lab-Log in wording is alvast in te zien via: https://indd.adobe.com/view/7457f4ed-8fc3-4a98-83f5-595da22ec080

 

Chewing to Change – Changing to Chew

So it has been quite a struggle. Combining teaching and research.

I am not a long-term planner like my husband. And every week is different in education land so it has been impossible to establish a weekly rhythm. The deadlines for International Business and Management Studies (IBMS), where I teach, are numerous and frequent whereas for research I have to create my own and thus can easily get postponed.

Next to that is the speed. For IBMS I had to prepare and teach courses for 6 weeks, give feedback, grade the tests in the test period, teach another 6 weeks and grade some more. During this time I also conducted research on one of my courses (critical thinking skills & documentaries) and gathered lots of data (see Early days of a researcher).

It’s not always the exact amount of hours that is the problem but the intensity. I run from teaching to a research group meeting to a curriculum committee meeting and have no time to chew on the ideas generated in the research group because I dive into discussing the new BFM Network Curriculum without proper preparation.

To chew well means to digest well. We teach it to our children. Good chewing helps good digestion which determines how we are going to feel in the next 18-24 hours.

I finally have some time to chew this week. I am reading “Onderwijs in tijden van Digitalisering,” writing notes about it, discussing the ideas with colleagues, starting on my chapter for research. It makes me excited, this chewing on what has already been written. It creates non-smelly output. Body and brain are alive.

The combination of teaching and research is exciting. I like how it feeds each other, it’s the sauce on the pasta. But I need to sit down and chew, something that research needs and teaching as well. It changes and enhances my perspective and actions.

As we are preparing for the next year, full of insecurities and work pressure, let’s set time apart for chewing. When my kids eat pasta – with sauce – I tell them not to swallow the fusilli because they can choke. First they need to sit down at the table, take a little bite, chew at least 10 times (I know it has to be many more), swallow and take the next bite. Let’s not choke but chew.

Over flexibiliteit, efficiëntie en waarde

Tijdens de verkiezingen was het een centraal thema: het vaste contract. Niet iedereen wil een ondernemende ZZP’er zijn, zo klonk het, want genoeg mensen willen vastigheid. Toen dit speelde begon ik me in toenemende mate af te vragen waar die vastigheid eigenlijk naar moest verwijzen. Gaat het enkel om economische zekerheid, of schuilt er meer achter deze ontwikkeling?

De afgelopen tien jaar lijken flexibiliteit en efficiëntie een opmars te hebben m.b.t. hoe wij die begrippen waarderen als kernwaarden in de maatschappij. De logica achter deze twee concepten lijkt me niet eenvoudig, hoewel ze wel veelal op zo’n manier wordt gepresenteerd. Het eerste gaat dan om je op soepele wijze kunnen aanpassen aan en meebewegen met veranderingen in je omgeving. Het tweede betreft dit te doen met zo min mogelijke verkwisting van tijd, energie en middelen.

De ontwikkeling in waardering van deze concepten zie je terug op de werkvloer. De vaste werkplek wordt ingeruild voor een flexplek, want als Piet van maandag tot en met woensdag werkt, kan Yvonne er dan geen gebruik van maken op de donderdag en vrijdag? Of Piet dan wel even zijn foto’s en andere persoonlijke spullen van het bureau wil afhalen.

Bovenstaand scenario volgt een heldere economische denkwijze wanneer we redeneren  vanuit de werkgever: het is goedkoper om een bureau door twee werknemers te laten delen dan twee bureaus aan te schaffen die ruimte innemen en deels niet worden gebruikt. Daarnaast is het de keuze van de werknemer zelf om parttime te gaan werken, dus in zekere zin kan dit beschouwd worden als een reactie op een andere maatschappelijke ontwikkeling.
Een ander voorbeeld komt uit mijn eigen praktijk. Een nieuwe collega vroeg aan mij hoeveel tijd hij eigenlijk mocht besteden aan een stagebezoek. Dat is lastig te bepalen doordat studenten in principe door het hele land stage kunnen lopen; waar je voor de een de tram pakt, zit je voor de ander anderhalf uur in de trein. Wat me prikkelde aan dit voorbeeld was niet zozeer dit antwoord als wel een tegenvraag: waarom zijn dit de vragen die we elkaar stellen?

De meerwaarde van efficiëntie en flexibiliteit lijken dus vrij makkelijk uit te leggen. Veel lastiger is te duiden wat we er voor opgeven of minder aandacht door gaan geven. Wellicht waren Piets foto’s wel een aanleiding voor een goed gesprek geweest waardoor twee mensen elkaar beter leerden kennen. Wellicht ontvouwt er tussen stagebegeleider en student een andere band wanneer de begeleider niet frequent moet controleren of het al tijd is om naar de volgende afspraak te gaan.
Maar ja, probeer dat maar eens in de excelsheet van de jaarbegroting te plaatsen.

Creativiteit, reflectie en bezinning, een band opbouwen met een ander mens, of simpelweg lol hebben of van iets genieten: het zijn allemaal waarden die (veel) tijd kosten zonder dat de baten er soms direct van bekend zijn. Ik pleit ervoor dat we desondanks onze tijd en energie ook juist in deze activiteiten blijven steken. Kritisch zijn betekent dat we niet zomaar tevreden kunnen zijn met onze gedachten. Zo ook dat efficiëntie en flexibiliteit vanzelfsprekend tot onze hoogste waarden zouden moeten behoren.

 

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: