Zoeken

LECTORAAT CHANGE MANAGEMENT

De Haagse Hogeschool

The take-over (or: when an artist and a manager swap jobs)

In March 2017 artist Mercedes Azpilicueta and Jacco van Uden, head of the Change Management research group at The Hague University of Applied Sciences (NL), will take over each other’s work and everything that comes with it. While Mercedes and Jacco have their own distinct motives for swapping jobs for a full month there is a shared, deep interest in exploring differences and similarities between artistic and management practices. Can and should these practices inform each other? And if so, how? With The take-over Mercedes and Jacco aim to contribute to the development of, and critical reflection on cross-disciplinary – and some might say – transgressive practices.

Rules

  1. The Take-over starts Wednesday March 1, 2017 and ends Friday March 31, 2017

  2. During The Take-over, Mercedes assumes full responsibility over Jacco’s job as head of the Change Management research group of The Hague University of Applied Sciences (THUAS). Jacco takes over Mercedes’ artistic practice and everything that comes with it. Decisions, meetings, strategies and so on will not be postponed needlessly. Exploring (afterwards) the consequences of this full mandate is part why we do this.

  3. In addition to taking over each other’s daily work (see – Jacco or Mercedes), Mercedes will provide a short list of issues that deserve special attention: the ‘this needs work’-list. This list serves as a focal point, but does not specify how Jacco can contribute to it. And vice versa, of course. Check Mercedes’ list and Jacco’s.

  4. Jacco will have full access to everything that constitutes Mercedes’ practice and vice versa: facilities, network, (financial) resources, and so on.

  5. During The Take-over Jacco will work from the Rijksakademie, where Mercedes was a resident for two years. Mercedes’ office will be Jacco’s THUAS office.

  6. During The Take-over, there will be no contact between Mercedes and Jacco. There is no room for consulting each other. There is the initial briefing and that’s it.

More? Learn more at www.thetakeover.org and follow Mercedes’ and Jacco’s experiences

 

De waarheid liegen

Volgens NRC Handelsblad was post-truth het woord van het afgelopen jaar. Dacht het niet, dacht Van Dale, en publiceerde een lijst van alternatieve woorden (meervoud) van het jaar. Kiest u maar. Waarmee het gelijk van het NRC nog maar eens werd onderstreept en post-truth wel het woord van het jaar moest zijn: iedereen mag z’n eigen waarheid bij elkaar shoppen

Feiten spreken niet voor zichzelf. Nooit gedaan, maar dit zijn toch wel bijzondere tijden. Als de cijfers ons niet afkleden, worden er gewoon nieuwe besteld en sturen we oude met een hoop kabaal retour naar de huichelpers en experts.

Wanneer “objectieve feiten minder van invloed zijn op de vorming van de publieke opinie dan een beroep op emotie en persoonlijke overtuigingen”, dan is dat natuurlijk slecht nieuws voor de werknemers van de waarheidsindustrie, journalisten en wetenschappers in het bijzonder.

Xandra Schutte waarschuwt voor paniekvoetbal. Volgens de hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer moet juist in tijden van gekte “iemand de volwassene in de kamer zijn”. Stand your ground, recht de rug en laat je eight_col_truth_colberttot niets anders verleiden dan “precieze en controleerbare onderzoekjournalistiek”, is haar advies.

Deze strategie van keep calm & keep producing facts is lovenswaardig, maar doet ook wat onmachtig aan: het medicijn slaan niet aan, laten we de dosis verhogen.

Maar wat is het alternatief? Hoe deze niet eens meer eens zo heel spreekwoordelijke oorlog te winnen?

Volgens Marc Oosterhout is er eigenlijk maar één waarheid waar we niet omheen kunnen: “mensen willen geen feiten en cijfers horen”. Emotie bestrijd je met emotie, stelt de reclameman. Kijk naar de Nederlandse Spoorwegen. Die snappen dat niemand warm of koud wordt van gortdroge stiptheidsstatistieken. Dat je reizigers moet verleiden met treinromantiek. Met een goed verhaal.

Een goed verhaal, zo weten we, laat zich niet kisten door feiten. Vraag is: is een goed verhaal daarom minder waarachtig?

Om nog iets te snappen van onze nieuwe wereld storten we ons volgens de BBC massaal op verhalen waarin de leugen regeert. Of, iets vriendelijker, op verhalen waarin de waarheid wordt gelogen. Op literatuur dus. De verkoopcijfers van dystopische klassiekers als 1984, Brave New World en Fahrenheit 451 gaan door de het plafond. Honderden en honderden pagina’s pure verzinsels. Gegarandeerd feitenvrije verhalen, maar met een ongekende zeggingskracht.

We lezen ze, herlezen ze, en we realiseren ons dat de “truthful hyperbole” (dictum Trump) ons meer vertelt over wat er aan de hand is dan feiten ooit zouden kunnen. Fictie als een “reminder of the truths under the surface” (die andere president), wat moeten we daar nou weer mee als kennisinstelling?

The Hague Laboratory for Public Affairs

At the start of my membership of the Change Management research group at the The Hague University for Applied Sciences (THUAS) I proposed the existence of a The Hague Laboratory for Public Affairs. It was not to be the end of a design process, but the start of an exploration. The question was: what is it we have when there is such a laboratory?

A laboratory as an experiment. I logged lab procedures and published several ‘LAB-LOGs’. The process proved useful for the development of urban innovation laboratories in The Hague, a municipal government initiative in cooperation with -amongst others- THUAS. For the THUAS I currently am the quartermaster, starting labs together with city government and tying urban challenges with THUAS departments, researchers and what have you.

Urban innovation laboratories are nodes in a city wide infrastructure of moments and spaces offering the opportunity to tinker and experiment with issues that require collective consideration. The wisdom of the crowd if you want. The proposition is that the urban challenges we face cannot be delegated to experts. New generation urban neighbourhoods must facilitate the coming together of these experts with others who are committed to contribute to -for instance- ways to go forward in energy transition or the sustainable alleviation of poverty. I made a (Dutch language) documentary about these ‘InnoLabs’. It can been seen through youtu.be/vuKP_iOGKTk.

Current dynamics in the urban innovation laboratories already in operation justifies the actual bringing into existence of a The Hague Laboratory for Public Affairs. It is to be a space in which overarching public issues are explored. In order to root a laboratory in which matters that concern us all are tinkered with in sensible thought I am documenting the history of the lab in a publication. ‘The making of’ can be followed through indd.adobe.com/view/06265008-24b2-4e0e-acf6-847c982fe40d. It already provides for an insight in backgrounds. More than a few early LAB-LOG are part of the publication.

Do take care and patiently page through what there now is. More than a few pages are still empty but you will come across what I hope are useful texts, pictures and typography. I welcome comments.

 

Corporate Bodies in Rome!

Inmiddels is het alweer meer dan een jaar geleden dat de eerste editie van het Corporate Bodies filmfestival (CB) plaatsvond. Daarna volgde vanuit de organisatie een periode van relatieve stilte. Die stilte was bewust. Na afloop kregen we namelijk veelal vragen voorgelegd als “Was het een succes?” of “Wat leverde het nou op?”. Korte, bondige vragen die een corresponderend antwoord vragen. En die antwoorden hadden we niet paraat.

Een filmfestival dat ervoor kiest om het fenomeen ‘organisatie’ te onderzoeken, is er ook een waarbij de aard van die vragen aan de kaak wordt gesteld. Wat betekent ‘succes’ eigenlijk bij een festival wat verschillende doelgroepen (studenten, docenten, academici, consultants, filmfreaks, filosofen etc.) probeert aan te spreken? En wordt er enkel opgeleverd in materiële of monetaire zin, of kan dat ook nog op andere manieren?

In plaats van deze vragen ‘hapsnap’ te beantwoorden, hebben we er voor gekozen om juist een uitgebreider reflectieproces in te gaan. Dit proces stellen wij ons voor als zijnde modulair; niet gebonden aan een tijd en plaats, maar iets wat we juist op verschillende plekken willen onderzoeken. We zijn met elkaar, de bezoekers, en andere betrokken partijen in gesprek gegaan om te kijken wat iedereen er nou uit heeft kunnen halen. Tegelijkertijd zijn Jacco en ik voor onszelf onze eigen ervaringen gaan onderzoeken omtrent CB. Wat heeft ons geraakt? Wat deed het organiseren van specifiek dit festival met ons?

Het serieus nemen van deze vragen is wellicht moeilijker dan in eerste instantie gedacht. Het vergt niet alleen een zogeheten ‘open houding’, maar je moet die ervaring ook kunnen articuleren en in het gesprek met elkaar verkennen en ontdekken hoe die ander dat heeft ervaren.

Zodoende hebben wij een voorstel geschreven voor een essay voor SCOS 2017 (dat geaccepteerd is!). Tijdens deze conferentie willen wij het filmfestival vanuit verschillende invalshoeken benaderen als een culturele tekst. Benieuwd? Zie dan de bijlage:

scos2017_three-readings-of-a-film-festival_abstract_andries-hiskes_jacco-van-uden

(En meer over de toekomst van CB tref je in de blog van Wypkje!)

Early days of a researcher

I feel like a bit of a fraud: on the one day I am telling my 2nd year students that it is very important to start their research with a literature review. On the next day I’m diving into my own field research with only having read a few articles and half a book.

What happened? I was asked to continue Corporate Bodies: the film festival where organization meets film. Do research about film & education, and I added critical thinking skills to this, as it is a must for the curriculum but hard to teach.

And in my early days as researcher I have had the opportunity to take more than 300 first year IBMS students of the course I am teaching, Business English Communication, to the cinema Filmhuis Den Haag. Two weeks ago students watched the documentary Tony’s Chocolonely, and were totally immersed in the professional dark cinema to watch how a few journalists became entrepreneurs in their attempt to make the chocolate industry slave-free.

16665498_10154150823582382_744873692911765340_o

Applied education meets applied research. After the curtains closed the students were told that they had to write an essay with the following statement: ‘The documentary Tony’s Chocolonely has (not) changed my opinion on what it takes to be a successful entrepreneur.’ These essays I am going to analyse to see what their critical brains have come up with by only watching the documentary with a minimum of teacher interference

In the last scene of Tony’s Maurice Dekkers, journalist and founder of Tony’s Chocolonely, stated: ‘Don’t think, just do.’ Make your mistakes and learn from it and you might end up with a successful chocolate company.

So I have started my exploratory research – which looks at the use of film and critical thinking in education, but also involves me understanding what research is all about. Education is such a rich field to plow from and I have been able to get my hands dirty immediately.

But I also need some time for my own reading, critical thinking and reflecting, always hard to find time for in education but essential. Perhaps my statement should be: ‘do think and think do.’

To be continued…

 

Save the date May 23rd 1pm TISDelft:

Expertmeeting on Care Technologies & Ethics: new agendas for applied research and education
poster-workshop-23052017

Contact me for more info! ptmvdberg@hhs.nl

Wetenschap & Ondernemerschap

In gesprekken die ik voer met betrekking tot onderzoek, valt mij de laatste tijd iets op. Het gaat vaak over geld. Hoe je het krijgt, hoeveel je krijgt, en hoe lang je het denkt te blijven mogen ontvangen. Dat geldt zowel voor jonge collega-geesteswetenschappers, als onderzoekers in andere vakgebieden. Het verband tussen geld en de wetenschap is een ingewikkelde, vol met duistere parabelen. Zo is er bijvoorbeeld het verhaal dat gigant Elsevier wetenschappelijke vakliteratuur heeft gepubliceerd die heftig gesponsord werd door de farmaceutische industrie. Maar wat betekent dit eigenlijk, en waarom is dat eigenlijk erg?

First things first: geld is belangrijk voor het doen van onderzoek. Het koopt je, letterlijk, tijd, en die tijd is nodig om na te kunnen denken, te lezen, te schrijven en andere onderzoeksactiviteiten uit te kunnen voeren. We lijken soms weleens te vergeten dat wetenschappers ook mensen zijn met huur of een hypotheek die betaald moet worden. Daar stuiten we al meteen op het eerste probleem. We investeren geld in allerlei activiteiten, maar wat leveren ze op? De productie van kennis lijkt immers al lang niet meer het exclusieve of unieke domein van de wetenschap. Termen als ‘kenniswerker’ en ‘kenniseconomie’ tonen alweer de eerste sporen van slijtage, en de kans is aanzienlijk dat als je hoger onderwijs hebt genoten, je vaak meer lijkt te doen met die kennis dan met je handen.

In een dergelijke realiteit is het niet gek opkijken wanneer men vraagt in welke mate de wetenschap zich dan nog onderscheidt van die andere plekken in de maatschappij waar ook kennis wordt geproduceerd. Daarbij ontstaat volgens mij wel een volgordelijk probleem. De bovenstaande volgorde stelt namelijk de vraag “wat doen jullie nou eigenlijk wat ‘wij’ niet doen?” vóór de vraag “waarom produceren we kennis?” Die volgordelijkheid is van belang omdat in de bovenstaande volgorde de waarde van kennis gereduceerd wordt tot haar nuttigheid, en laat dat nu precies zijn waar wetenschappelijke kennisproductie zich onderscheidt (of kan onderscheiden).

Wetenschap houdt zich bezig met menselijke kennisverwerving van de realiteit. Dat betekent de facto ook kennis waarvan het nut niet meteen duidelijk voor ons is. Waarom is dat nou zo belangrijk? Wetenschap is meer dan een instrument; het vormt ook de wijze waarop we die realiteit ervaren (lees dat nog eens). Dat is een uiterst ambitieus project, maar door juist de breedte van kennis te omarmen (je kunt bijvoorbeeld ook van kennis genieten, of het kan je helpen genieten), onderscheidt het zich van het schrijven van beleidsstukken, aktes, projectplannen.

Dan nu de titel van dit stuk. Doordat we die volgordelijkheid hanteren drijven we de wetenschap in een continue positie van verantwoording: “Wat gaat dit onderzoek ons opleveren?” De consequentie hiervan is dat wetenschappers allerlei beurzen en fondsen moeten aanspreken om een paar dagen onderzoek bij elkaar te sprokkelen. Nu vind ik niets mis met het principe dat je moet werken voor je geld, maar in deze constructie schuilt wel het gevaar dat wetenschappelijk onderzoek in zekere mate een ‘klus’ wordt, waarin de onderzoeker haar voorstel zo schrijft (het liefst in ‘Jip en Janneke taal’) dat de (maatschappelijke) relevantie en/of het belang voor de financierende instelling ervan afdruipt. Tsja.

Een beleving van de wetenschap die ik voorsta is een waarin we de binaire oppositie tussen niet of wel nuttig achter ons laten, en we de nieuwsgierigheid aanwakkeren naar wat die nieuwe kennis betekent en wat haar potentie is. Wetenschappelijk kennis kan verouderen, en soms nooit ‘toegepast’ worden. Dat betekent niet dat zij waardeloos is. Juíst in een wereld waar onlangs het concept van ‘alternatieve feiten’ is in geslingerd, en kennis ontnomen wordt, moet het onze prioriteit zijn wetenschappelijke nieuwsgierigheid en beschouwing vrijheid en ruimte te geven.

De moeder is voor de moeder een wolf

Nu het old school pussy-grabbing machismo kantoor gaat houden in de Oval Office, zou je bijna weer gaan denken dat seksisme een overzichtelijk probleem is, met de man als onvermijdelijke dader. 

Toegegeven: we, mannen, maken het nog steeds bont. We vragen ons hardop af de vrouwtjes economische kwesties wel snappen, vinden het maar wat lastig te bevatten dat die mooie benen over straat zouden willen lopen zonder wat met ons te willen gaan drinken, beginnen te schutteren als we het fenomeen male privilege uitgelegd krijgen en trekken ons dan maar terug in quasi-ironische productenpagina’sprogramma’s of complete zenders waar we ongegeneerd onze mannelijkheid kunnen vieren.

Het vraagstuk wordt lastiger wanneer seksisme institutional blijkt en het probleem dus ligt “by society and its institutions as a whole, through unequal selection or bias, intentional or unintentional; as opposed to individuals making a conscious choice to discriminate”. De voorbeelden zijn bekend en talloos, zoals vrouwen die meer betalenvoor producten dan mannen, terwijl ze toch al minder betaald krijgen voor hetzelfde werk. Institutioneel seksisme – seksisme dat zich verstopt in sociaal-culturele codes, in wetgeving, in carrièrekansen, in productontwerp – is misschien wel verraderlijker dan het klassieke man-bijt-vrouw. Moeilijker te traceren, sneller geaccepteerd als een gegeven en, juist door het ontbreken van een gezicht, nauwelijks aan de schandpaal te nagelen.

stopdemoedermaffia_21Nu is seksisme geen wedstrijd, maar wanneer ik zou mogen stemmen op de meest abjecte variant, dan kies ik toch voor wat moeders elkaar aandoen. Bloedlink om als man iets te schrijven hoe vrouwen elkaar bejegen – voor je het weet word je ervan verdacht je te verlekkeren aan een goeie cat fight – maar de vrouwenzaak lijkt me te belangrijk om alleen aan vrouwen over te laten.

Casus: mijn vriendin vertrekt voor een maand naar Nieuw-Zeeland. Zonder mij, zonder kinderen. Niet omdat het moet, maar omdat het kan.

Als ik er in mijn eentje een tijdje op uit trek leidt dat zelden tot beroering. Feit dat ik vader ben doet blijkbaar niks af aan wat mij als man toekomt.

Hoe anders ligt dat bij het moederschap. Dat de kinderen (formeel protest) en ik (bezwaren bekend bij redactie) iets vinden van de langdurige uithuizigheid lijkt me nog wel te billijken. Dat andere mannen onrustig beginnen te draaien bij het idee dat reislust wel eens besmettelijk zou kunnen blijken, soit – zegt vooral iets over de hulpeloosheid van de eerste sekse. Maar de manier waarop moeders elkaar de maat durven te nemen is ronduit onfris.

“Mooi land, Nieuw-Zeeland, hoor ik” wordt al snel “een maand is wel lang zeg” wordt al snel “dat je dat kunt, zeg” wordt al snel “dat zou ik niet kunnen” en eindigt niet zelden met suggestie “dat ook jij dat niet moeten willen, niet als je een goede moeder wilt zijn”.

Alle moeders? Tuurlijk niet. Net de verkeerde getroffen? Mooi niet. Hoe dan ook: het principe lijkt me hier belangrijker dan de kwaliteit van de steekproef.

Dat het moederschap de ongelijke behandeling van vrouwen versterkt is al droevig genoeg. Wanneer uitgerekend andere moeders de mamatroef gaan spelen is het einde zoek, lijkt mij. Als solidariteit te veel gevraagd is, dan maar snoeihard aanpakken, die moedermaffia.

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: