Zoeken

LECTORAAT CHANGE MANAGEMENT

Een onmogelijke vergelijking

Een Godwin heet het, en heel in het kort komt het erop neer dat in iedere discussie iemand uiteindelijk de vergelijking met de Nazi’s zal maken. Die vergelijking wordt vaak gezien als een zwaktebod. Daar is veel voor te zeggen. 

Het is ronduit onfris om een conducteur te vragen waarom de treinen in 1943 dan wel op tijd konden rijden of een rechte lijn te trekken van de vlokkentest naar het ‘euthanasieprogramma’ van de nationaalsocialisten.

En toch is het de vraag of we niet eerder te weinig dan te veel verwijzen naar de Nazi’s. Die vraag is niet retorisch bedoeld – ik weet het echt niet.

Geen idee of het nog onder normale beroepsdeformatie valt, maar het lukte mij niet om The Nazis and The Final Solution te kijken zonder aan mijn vakgebied te denken. Zo’n beetje alle aspecten van de organisatiekunde komen in hun donkerste, meest onthullende variant voorbij in deze zesdelige BBC documentaire over de vernietigingskampen: van strategie tot logistiek, van onderhandelen tot procesoptimalisatie en van bedrijfsdiefstal tot de werk-privébalans van de kampcommandant. Misschien kon ik het er allemaal in lezen omdat de BBC al wat framing voor me had gedaan: Auschwitz-Birkenuau, het gitzwarte hoofdstuk uit de moderne geschiedenis, wordt beschreven als een fabriek, een fabriek waar de dood werd geproduceerd.

Het is één ding om de aandacht te vestigen op de organisatievraagstukken van de Nazi’s, het is echt wat anders om dat wat we weten van toen in verband te brengen met het nu. Juist in de organisatiekunde, een vakgebied dat zich toch al eenvoudig laat verleiden tot checklists en stappenplannen, voer je de Nazi’s niet lichtzinnig ten tonele. Er zijn hele, hele goede redenen om het in een college over leiderschapsstijlen wel over Steve Jobs en niet over Adolf Hitler te willen hebben, en even goede redenen om niet openlijk te willen onderzoeken of een concentratiekamp zich beter laat typeren als machinebureaucratie of als adhocratie. Maar het heeft ook iets wrangs om Nazi-Duitsland, een van de best onderzochte en gedocumenteerde tijdperken, niet vaker naar ons toe te trekken als bron van kennis.

Hoe dat te doen – ik weet het echt niet.

Onlangs las ik Working Towards the Führer van Ian Kershaw. De Engelse hoogleraar citeert in zijn artikel de (vertaalde) passage uit een ‘routine speech’ van Werner Willikens, Staatsecretaris voor het Ministerie van Voedsel in 1934:

Everyone who has the opportunity to observe it knows that the Führer can hardly dictate from above everything he intends to realize sooner or later […] Very often and in many spheres it has been the case – in previous years as well – that individuals have simply waited for orders and instructions. Unfortunately, the same will be true in the future; but it fact it is the duty of everybody to try to work towards the Führer along the lines he would wish’.

In het artikel analyseert Kershaw wat juist deze filosofie heeft bijgedragen aan de ‘progress into barbarism’. Voor mij (als niet-historicus) nogal een eyeopener omdat ik Nazi-Duitsland juist lang met heldere bevelstructuren heb geassocieerd. Weer wat geleerd.

Maar die kennis gaat wel mooi met je aan de haal en zorgt voor gedachtenbruggetjes waar je helemaal niet op zit te wachten.

Zo stuitte ik recentelijk op het begrip Commander’s Intent, afkomstig uit het legerwaar het een belangrijke rol schijnt te spelen bij militaire besluitvorming en planning: ‘[Commander’s intent] acts as a basis for staffs and subordinates to develop their own plans and orders to transform thought into action, while maintaining the overall intention of their commander.’

Voor je er erg in hebt klik je wat door en kom je op allerlei montere managementsites waar het werken met het principe van Commander’s Intent van harte wordt aanbevolen: als oplossing voor onnodig micromanagement, als ‘kern voor leidraad bij coördinatie’ of als antwoord op ‘complexe en onvoorspelbare omstandigheden’. Stuk voor stuk artikelen met het hart op de goede plaats. Geen haar op m’n hoofd om de auteurs van duistere motieven te betichten. Maar zo’n speech van die Staatsecretaris, die wis je niet zomaar uit je geheugen, om nog maar te zwijgen van daaropvolgende analyse van hoogleraar Kershaw. Teksten die helemaal niks met elkaar te maken hebben, hebben ineens alles met elkaar te maken.

Wat moet je daar nou mee? Moet je daar wat mee?

Ik weet het echt niet. Echt niet.

Werkconferentie organisatiecoaching op 11 mei

 

Is organisatiecoaching een hype of een duurzaam fenomeen? Of iets er tussenin? Feit is dat coaches zich in toenemende mate bezighouden met organisaties. Die organisaties zijn niet langer context voor wat er in de spreekkamer gebeurt, maar komen zelf als cliëntsysteem ‘in the room’. Wat doen organisatiecoaches met die organisaties in de praktijk? En is dat ook iets anders dan wat organisatieadviseurs doen?

Daarover gaat het onder andere in het Themanummer Organisatiecoaching van M&O dat in december 2016 is uitgekomen (onder redactie van Fer van den Boomen en Paul Breman).

Cover themanummer

Francois Breuer heeft het in dat themanummer over een coachende rol, die een nieuwe, geactualiseerde, vorm van organisatieontwikkeling oplevert. Die rol komt er volgens hem op neer dat ‘de externe professional:

  1. niet alleen toewerkt naar een resultaat voor het cliëntsysteem, maar ruimte verwerft voor bewustwordings- en leerprocessen onderweg naar dat resultaat;
  2. uitdrukkelijk niet verantwoordelijk wil zijn voor die resultaten en de keuzen die zijn cliënt maakt, maar zijn cliënt(systeem) helpt om bewuste keuzes te maken en die om te zetten in concreet gedrag;
  3. zich inzet voor het opbouwen en onderhouden van een positieve werkrelatie met de mensen uit zijn cliëntsysteem waarin alles besproken kan worden dat direct of indirect dienstbaar is aan dit proces;
  4. werkmethodieken voorstelt en zo nodig dirigeert die behulpzaam zijn voor het cliëntsysteem om zicht te krijgen op wat hij wil en hoe hij dat kan bereiken;
  5. in zijn eigen werkwijze streeft naar maximale transparantie en een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het stimuleren van leren en ontwikkeling.’

Vragen die we tijdens de werkconferentie willen beantwoorden zijn:

  • Doen organisatiecoaches inderdaad wat Breuer formuleert?
  • In hoeverre zijn ze het daar ook met elkaar over eens?
  • En wat is een volgende stap in de ontwikkeling van organisatiecoaching (als activiteit, rol, of –wie weet- vakgebied)?

Graag gaan we over deze vragen in gesprek met organisatiecoaches, onderzoekers, docenten, publicisten en adviseurs. Verschillende auteurs die een bijdrage hebben geleverd aan het themanummer gaan met elkaar in debat. Maar natuurlijk zoeken we ook de dialoog met zoveel mogelijk deelnemers, waarbij we toewerken naar het formuleren van gerichte acties voor de toekomst. Studenten van de Master Organisatiecoaching treden op als gespreksleiders bij de dialoogtafels.

De werkconferentie vindt plaats op de Haagse Hogeschool op donderdag 11 mei 2017 van 13.30 uur tot 17.00 uur. Er zijn geen kosten aan verbonden. Aanmelding is wel noodzakelijk. Stuur voor 21 april een mail naar M.Questroo@hhs.nl.

Deelnemers aan de werkconferentie ontvangen een pdf van het themanummer van M&O over organisatiecoaching.

Old school, new school money making

Recently I talked to the CEO of a South African technology firm. She told me about a visionary in her firm who had committed himself to developing technological answers to environmental challenges. “He is exactly what you would want in a firm like ours. However, his dreams started bleeding our company in a way I could not account for,” she told me. His ventures were put on hold.

My proposition is that current business models cannot accommodate for corporate involvement in urban challenges, and especially in environmental ones. Add up what we need to do now in order to meet known future requirements and the need shows for a broad commitment, both from not for profit and for profit organisations. We are simply required to cope with more rainfall. Whether or not climate change is caused by human activities is not interesting. Cities not accustomed to the need for shade will simply need to start thinking about exactly that. Parts of The Hague were built so that the cold winds from the sea would not be too bothersome. Now, the need is seen for exactly that cooling wind as a heating up city becomes a problem for an increasingly aged population. New sources of energy are required, if only because the carbon based energy is running out. Waste is to be material for producing goods. Urban farming is not an ideological enterprise but a simple requirement for feeding the future urban population.

Apart from acting upon what we know we increasingly need to -again- develop the ability to resiliently engage the unknown. One might lament the complexity of the world, the seeming chaotic nature, the unpredictable politics, the simplification of deep issues, the votes for populists. Perhaps we have forgotten that people before us encountered similar insecurities. Part of the current predicament is that through the language with which we describe and discuss the challenges we meet we talk ourselves into frustrations. Our descriptions of what we face seem to distance ourselves -or rather what we think of ourselves- out of reach of solutions to problems. The CEO of the technology firm mentioned talks herself away from the visions her employee has, while in another language and with some courage, there is no distance at all. New business-reasoning needs to develop as part of thinking in new economic terms.

This calls for experimentation. A network of next economy pioneers in Rotterdam and The Hague initiated the Prototyping Program. Goal is to enhance the impact and scale of innovative start-ups, also in the field of technology facilitating energy transition and related matters. More info through: www.nexteconomy.nl/prototyping/prototyping-den-haag. Urban innovation laboratories in two The Hague neigbourhoods will host the prototyping project. Both are pilot neighbourhoods in experimenting with what a next generation urban neighbourhood needs to be in order to engage in the challenges ahead.

Associated with this initiative is a project that brings together stakeholders and entrepreneurs from India, South Africa and The Netherlands. They will join local experiments and prototyping projects but will also tinker with new business cases and new corporate talk about urban challenges. Goals is to provide the corporate world with the thoughts and ideas that will trigger old school to join new school in the endeavour to provide next generations with the technology that will help meet their needs.

For those who are in need of more info, please use post a comment.

HBO-onderzoek

Wat is onderzoek in het HBO? In alle vrijheid als academicus kennis ontwikkelen door onderzoek uit te voeren dat voldoet aan universitaire normen? Om het resultaat vervolgens te publiceren in academische tijdschriften? Een dissertatie te schrijven die spoort met de regels van promoveren? Of is het onderzoek doen dat dienstbaar is aan de eigen aard van waartoe het hoger beroepsonderwijs opleidt? Zonder een oordeel te vellen over het academische perspectief is het onvermijdelijk op zijn minst een HBO-perspectief op onderzoek te bepalen dat niet een afgeleide is van het academische. Dat vergt een discussie waarin het vloeken in de academische kerk is toegestaan en zelfs wordt aangemoedigd.

De beroepsbeoefening ontwikkelt dusdanig dat –op zijn minst—vier vormen van HBO-relevant onderzoek cruciaal zijn geworden. De eerste is het onderzoek naar de omstandigheden waaronder een beroep wordt uitgeoefend. De positie van de hogere beroepsbeoefenaar is er niet meer een van de monopolist in specialistische kennis. Alleen al de vraag op welke manier de beroepsbeoefenaar zich positioneert in een netwerk waarin belanghebbenden niet alleen prominent aanwezig zijn maar ook een relevant perspectief voor het voetlicht brengen levert onderzoeksvragen op. Dat zou in HBO kring aanleiding moeten zijn voor een eigen onderzoeksprogramma.

Tweede aspect van HBO-onderzoek is het ontwikkelen van een eigentijds instrumentarium. Dat geldt alleen al methoden en technieken van onderzoek. Een beroepsbeoefenaar onderzoekt op een andere manier dan een academicus. De motieven voor onderzoeken hebben een eigen aard. Die hangen bijvoorbeeld samen met het ontwerpen van lokaal relevante interventies. In toenemende mate zijn lokale arrangementen geënt op globale belangen. Energie transitie is een goed voorbeeld. Een academisch perspectief hierop geeft toegang tot een samenstel van ontwerp specificaties. Die moeten door professionals relevant worden gemaakt voor lokale toepassing. Dat vergt een goed onderzocht professioneel zicht op de toepassingsomgeving.

Ten derde is er het praktijkgericht onderzoek dat de ontwikkeling van de verschillende terreinen van beroepsbeoefening voedt. Een integraal veiligheidskundige bijvoorbeeld komt er niet op basis van academische inzichten alleen. Academische generalisaties kunnen een beeld geven van trends, de integraal veiligheidskundige dient steeds vaker in een specifieke omgeving –in een buurt, op de werkvloer, in een organisatie met specifieke eisen—tot een passend arrangement van veiligheidskundige interventies te komen. Hoe je een dergelijk arrangement ontwerpt is nadrukkelijk een aspect van beroepsbeoefening dat zich binnen kennisinstituten gericht op de beroepsbeoefening moet ontwikkelen.

Ten vierde –en als uitvloeisel van het voorafgaande- is er ontwerpgericht onderzoek nodig. De beroepsbeoefenaar maakt dingen waarvan de relevantie niet steeds wordt gebaseerd op de validiteit van voorafgaande veronderstellingen. In hoeverre interventies een bijdrage zijn aan het bijeenbrengen van droom en daad staat voorop. Het rechtvaardigen van interventies in deze professionele context vergt net als in academisch onderzoek nauwgezetheid. Dat is dan wel een andere nauwgezetheid. Ook hier doen zich eigen onderzoeksvragen voor.

Belangrijker nog dan het opsommen van aspecten van HBO-onderzoek is het vast te stellen dat met de ontwikkeling van de hogere beroepsbeoefening het moment is gekomen onderzoek als aspect van die beroepsbeoefening niet op de eerste plaats te baseren op het academische. HBO-onderzoek is iets op zich, en pas wanneer dat iets goed is omschreven kan een gerechtvaardigd beroep worden gedaan op andere vormen van onderzoek.

Dan wordt ook duidelijk dat naast het academische perspectief voor de beroepsbeoefenaar bijvoorbeeld ook het artistieke onderzoeksperspectief relevant is. De manier waarop ontwerpers onderzoeken is relevant voor de integraal veiligheidskundige, de civiel ingenieur, de accountant, de verpleegkundige, de politieagent, de social worker.

In de bachelor-master structuur is in de zogenaamde Dublin descriptoren vastgelegd dat de bachelor zijn handelen baseert op inzichten die door masters bijeen zijn gebracht. Inmiddels is het ook andersom. Er is geen sprake van een functionele kennis-hiërarchie maar van een functioneel verschil in perspectieven. Waar het bachelor- en het mastersperspectief samenkomen kunnen doeltreffende interventies worden ontworpen.

Ten slotte nog een opsteker. HBO-onderzoek kan worden gebaseerd op een rijke academische traditie voor wat betreft het onderscheiden van verschillende soorten kennis. De befaamde Amerikaanse filosoof Hilary Putnam gaf op Harvard een cursus non-scientific knowledge. Hij introduceerde en besprak onder meer religie en kunst als bronnen van te valideren inzichten. In dat verband een citaat van John Dewey:

“Nowadays we have a messy conjunction of notions that are consistent neither with one another nor with the tenor of our actual life. Knowledge is still regarded by most thinkers as direct grasp of ultimate reality, although the practice of knowing has been assimilated to the procedure of the useful arts;-involving, that is to say, doing that manipulates and arranges natural energies. Again while science is said to lay hold of reality, yet “art” instead of being assigned a lower rank is equally esteemed and honored.” (in: Experience and Nature – 1929)

Het is vooral die ‘the tenor of our actual life’ waarmee de beroepsbeoefenaar wordt geconfronteerd en waarin hij of zij van waarde is. Het is ook het menselijke in het handelen dat ertoe doet als het om het aangaan van actuele uitdagingen gaat. Gaat het uiteindelijk niet vooral om ‘doing that manipulates and arranges natural energies’? Dat vraagt om een hogere beroepsbeoefenaar die zich weliswaar laat informeren door academici maar die dat doet vanuit een eigen, geëngageerd perspectief. Dat engagement vergt veel meer dan onderzoek tegen de achtergrond van een strikt onderscheid tussen object en subject, en een positivistische opvatting rond de vraag wat waar is. In die zin is het zijn van beroepsbeoefenaar uitdagender dan het zijn van academicus.

Change for which ‘better’?

The municipal government of The Hague has designated two neighbourhoods as testing ground in the development of ‘next generation urban districts’. Three main themes are explored. One is energy transition. Dependency on natural gas is an issue as natural gas is running out introducing the need for very different, sustainable ways to meet needs. The second is how next generation neighbourhoods will accommodate new ways to earn a living. The development of circular neighbourhood economies is high on the agenda. Finally there is the next generation neighbourhood as a learning environment. Going to school becoming less of a preferred option neighbourhoods will need to accommodate learning. More importantly, as urban challenges require active citizens, their demand to learn to contribute will increase.

With these developments come profound changes in public services. If a circular economy means ‘no waste’, waste disposal will become redundant in favour of services in collecting waste as valuable material in the neighbourhood based production of goods. The dynamics of next generation neighbourhoods will alter the risk profiles of these neighbourhoods in many ways, requiring new modes of risk management including law enforcement.

Municipal government change management is to take next generation neighbourhood testing grounds as the domain to actively explore the consequences of development, both planned and unplanned. This can only prove effective on the condition that the strong urge is resisted to think of ‘better’ as current irritation not being part of future cities. There is a risky utopian attitude driven by the perceived severity of current problems. This stands in the way of sensibly thinking of what we need to do now in order to meet urgencies such as energy transition.

It is not planning for a city without crime and disorder, without poverty, without segregation that is at stake. It is planning for a city that makes sense of these inevitabilities in order to act upon them in a just way. Cities, as economic, cultural, academic powerhouses can only be that powerhouse at the cost of the inevitable consequences of putting people into too tight a space. As we cannot do without them we will need to develop urban space for justice and solidarity as part of the package.

Or am I wrong?

Hoe overleef ik de verkiezingen?

“Demokratie ist gewiß ein preisenswertes Gut, Rechtsstaat aber ist wie das tägliche Brot, wie Wasser zum Trinken und wie Luft zum Atmen, und das Beste an der Demokratie gerade dieses, daß nur sie geeignet ist, den Rechtsstaat zu sichern.”  

Zolang er geen werkbaar alternatief voorradig is voor onze parlementaire democratie zullen we het er mee moeten doen. En omdat ik al wist wat ik zou gaan stemmen dacht ik door extra selectief browsen en zo min mogelijk tv, 15 maart fluitend te kunnen halen.

Niet dus. Een mist van zware gedachten over Nederland vouwt zich nu al weken om mij heen. Zo erg als in de VS is het in dit land politiek gezien zeker niet, desondanks gaf dit artikel The Emotional Divide uit Time Margazine ook mijn gemoed redelijk weer. Zelfs de mooie macroeconomische cijfers, een heerlijk weekje in de sneeuw en twee Kundera romans bleken niet in staat om me uit mijn gesomber te krijgen.

Twee componenten uit het Nederlandse publieke debat deze weken ergeren mij in het bijzonder, ondanks mijn sterk aangepaste consumentengedrag:

  • De ongegeneerd abstracte praat over ‘onze normen en waarden’ (‘Hollands fatsoenlijk’ zijn? Asielzoekers verplicht naar Karnaval? Koot en Bie all over again…) en
  • het wijdverspreide dedain over de rechtsstaat (hebben onze volksvertegenwoordigers nog enig besef van rechtsgelijkheid? Van de grondwet? Van internationale verdragen?).

Een beetje psychotherapeut zal mij willen overtuigen dat dit een privedingetje is. Toegegeven, ik maakte ooit geheel onbewust van mijn beroep een roeping. In een volgend leven geen ethiek meer en ook geen rechtsfilosofie voor mij.

Maar mocht u nou zelf iets herkennen van mijn onbestemde somberheid over het publieke politieke debat over Nederland deze weken, dan is een tweede, rechtspsychologische verklaring wellicht interessanter.  Die luidt dat een stabiele rechtsstaat verantwoordelijk is voor een veel groter deel van ons alledaagse psychische welbevinden dan we beseffen. Zelfs columnist Folkert Jensma, toch een van Nederlands meeste ervaren journalisten op het gebied van recht en veiligheid, kwam er pas afgelopen week achter:  Een rechtsstaat zorgt ook voor nachtrust.

Dit klinkt nog wat amateurpsychologisch allemaal. Is het objectief  aantoonbaar dat de rechtsstaat zoals we die nu in Nederland kennen, rechtstreeks wordt bedreigd door de politieke partijen die nu op het stembiljet staan?  Nee, dat gelukkig niet, en om een welbekende structurele reden: het ‘echte’ besturen van dit land wordt pas weer hervat na afloop -ooit- van de aanstaande coalitieonderhandelingen.

Dat neemt niet weg dat politieke partijprogramma’s en het dagelijkse uitschreeuwen daarvan nu een groot deel van onze sociale realiteit uitmaken – en dus effect op de psyche van u en ik als burgers hebben. Wat daarin beweerd wordt blijkt bovendien significant bedreigender voor de rechtsstaat dan vier jaar geleden het geval was. Zie onderstaande samenvatting van het recente onderzoek van hoogleraren van vier rechtenfaculteit (dat opvallend weinig aandacht kreeg in de media):

polprgrammas-over-rechtsstaat

Het resultaat valt zelfs nog slechter uit wanneer je (zoals ik) grote twijfels hebt over de rechtsstatelijke impact van plannen met referenda, of over de effectiviteit van sommige voorstellen om discriminatie tegen te gaan (dan worden de groene balken een stuk kleiner).

Kortom….volhouden maar. Tot 15 maart bestrijd ik mijn eigen somberheid middels reciteren van dit mantra: ‘democratie moet de rechtsstaat dienen, niet andersom’. Dat ontleen ik aan Rechtsfilosoof Gustav Radbruch, die bovenstaand citaat ooit opschreef (en helaas toch ook weer veel beklemmender, want in 1946).

The take-over (or: when an artist and a manager swap jobs)

In March 2017 artist Mercedes Azpilicueta and Jacco van Uden, head of the Change Management research group at The Hague University of Applied Sciences (NL), will take over each other’s work and everything that comes with it. While Mercedes and Jacco have their own distinct motives for swapping jobs for a full month there is a shared, deep interest in exploring differences and similarities between artistic and management practices. Can and should these practices inform each other? And if so, how? With The take-over Mercedes and Jacco aim to contribute to the development of, and critical reflection on cross-disciplinary – and some might say – transgressive practices.

Rules

  1. The Take-over starts Wednesday March 1, 2017 and ends Friday March 31, 2017

  2. During The Take-over, Mercedes assumes full responsibility over Jacco’s job as head of the Change Management research group of The Hague University of Applied Sciences (THUAS). Jacco takes over Mercedes’ artistic practice and everything that comes with it. Decisions, meetings, strategies and so on will not be postponed needlessly. Exploring (afterwards) the consequences of this full mandate is part why we do this.

  3. In addition to taking over each other’s daily work (see – Jacco or Mercedes), Mercedes will provide a short list of issues that deserve special attention: the ‘this needs work’-list. This list serves as a focal point, but does not specify how Jacco can contribute to it. And vice versa, of course. Check Mercedes’ list and Jacco’s.

  4. Jacco will have full access to everything that constitutes Mercedes’ practice and vice versa: facilities, network, (financial) resources, and so on.

  5. During The Take-over Jacco will work from the Rijksakademie, where Mercedes was a resident for two years. Mercedes’ office will be Jacco’s THUAS office.

  6. During The Take-over, there will be no contact between Mercedes and Jacco. There is no room for consulting each other. There is the initial briefing and that’s it.

More? Learn more at www.thetakeover.org and follow Mercedes’ and Jacco’s experiences

 

De waarheid liegen

Volgens NRC Handelsblad was post-truth het woord van het afgelopen jaar. Dacht het niet, dacht Van Dale, en publiceerde een lijst van alternatieve woorden (meervoud) van het jaar. Kiest u maar. Waarmee het gelijk van het NRC nog maar eens werd onderstreept en post-truth wel het woord van het jaar moest zijn: iedereen mag z’n eigen waarheid bij elkaar shoppen

Feiten spreken niet voor zichzelf. Nooit gedaan, maar dit zijn toch wel bijzondere tijden. Als de cijfers ons niet afkleden, worden er gewoon nieuwe besteld en sturen we oude met een hoop kabaal retour naar de huichelpers en experts.

Wanneer “objectieve feiten minder van invloed zijn op de vorming van de publieke opinie dan een beroep op emotie en persoonlijke overtuigingen”, dan is dat natuurlijk slecht nieuws voor de werknemers van de waarheidsindustrie, journalisten en wetenschappers in het bijzonder.

Xandra Schutte waarschuwt voor paniekvoetbal. Volgens de hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer moet juist in tijden van gekte “iemand de volwassene in de kamer zijn”. Stand your ground, recht de rug en laat je eight_col_truth_colberttot niets anders verleiden dan “precieze en controleerbare onderzoekjournalistiek”, is haar advies.

Deze strategie van keep calm & keep producing facts is lovenswaardig, maar doet ook wat onmachtig aan: het medicijn slaan niet aan, laten we de dosis verhogen.

Maar wat is het alternatief? Hoe deze niet eens meer eens zo heel spreekwoordelijke oorlog te winnen?

Volgens Marc Oosterhout is er eigenlijk maar één waarheid waar we niet omheen kunnen: “mensen willen geen feiten en cijfers horen”. Emotie bestrijd je met emotie, stelt de reclameman. Kijk naar de Nederlandse Spoorwegen. Die snappen dat niemand warm of koud wordt van gortdroge stiptheidsstatistieken. Dat je reizigers moet verleiden met treinromantiek. Met een goed verhaal.

Een goed verhaal, zo weten we, laat zich niet kisten door feiten. Vraag is: is een goed verhaal daarom minder waarachtig?

Om nog iets te snappen van onze nieuwe wereld storten we ons volgens de BBC massaal op verhalen waarin de leugen regeert. Of, iets vriendelijker, op verhalen waarin de waarheid wordt gelogen. Op literatuur dus. De verkoopcijfers van dystopische klassiekers als 1984, Brave New World en Fahrenheit 451 gaan door de het plafond. Honderden en honderden pagina’s pure verzinsels. Gegarandeerd feitenvrije verhalen, maar met een ongekende zeggingskracht.

We lezen ze, herlezen ze, en we realiseren ons dat de “truthful hyperbole” (dictum Trump) ons meer vertelt over wat er aan de hand is dan feiten ooit zouden kunnen. Fictie als een “reminder of the truths under the surface” (die andere president), wat moeten we daar nou weer mee als kennisinstelling?

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: