In Harvest, een roman van Jim Crace over ontwikkelingen op het platteland zo’n zes, zeven honderd jaar geleden, ziet de hoofdpersoon voor het eerst een plattegrond van zijn leefwereld. Een dorp met de landerijen eromheen wordt in kaart gebracht omdat de boerenbedrijvigheid ten behoeve van de eigen gemeenschap plaats gaat maken voor de productie van wol. Dan heb je overzicht nodig. Crace beschrijft de emotie van de hoofdpersoon als die zich realiseert dat de nieuwe kijk, de plattegrond, voor altijd zijn blik op de eigen leefwereld verandert. Zijn stuk Aarde wordt op twee manieren ontvreemd.

Eerst wordt het op een nieuwe manier van ‘vreemd’ ontdaan, om dienst te kunnen doen als domein voor het effectief houden van schapen. In plaats van het houden van varkens en het verbouwen van graan voor brood en bier. Brood en bier zoals die in Frankrijk nog steeds reden zijn voor ‘vreemde’ feesten zoals de fête des pains als hulp bij het verklaren. Die passen naadloos in het complexe samenleven rond varkens, graan, aarde, mensen, natuur. Maar niet in de wolproductie.

Ontvreemd wordt de leefwereld ook in de zin van onteigenen. De kaart toont –voor het eerst—de afgemeten oppervlakte. Wat als grenzeloos eigen werd beschouwd door degenen die het land bewerkten –ons eigen omdat wij er graan op laten groeien—wordt het oppervlak van de landheer waarop maar een deel van de dorpsgemeenschap zijn brood zal kunnen verdienen. Het gaat om wol.

Ik ben betrokken bij de ontwikkeling van een betrekkelijk nieuw beroep, en het vakgebied dat daarmee in verband staat. Aanvankelijk werd het werkveld vooral bevolkt door creatieve academici die vreemd terrein ontgonnen en samen de basis legden voor een belangwekkende beroepsbeoefening. Het was ons eigen, omdat wij het maakten.

Het was vervolgens onvermijdelijk dat er een hogere beroepsopleiding zou komen. Continuïteit vroeg daarom, de groeiende vraag naar gericht geschoolde beroepsbeoefenaren, en het waarborgen van professionele kwaliteit. Creatieve ambitie om het vak verder te helpen speelde mee. Ik heb van harte meegedaan aan het ontvreemden van mijn eigen beroepsbeoefening door het in kaart te brengen. Dat gaf een hoop helderheid en was een bijdrage aan het leerbaar maken van onze betrekkelijk geïmproviseerde en complexe praktijk. Ik merk nu ook het ontvreemdend karakter van dat in kaart brengen. Het vreemde, ongrijpbare waarin veel van de kracht van de beroepsbeoefening is te vinden was niet te vangen in de traditionele onderwijsconcepten. Hoe, bijvoorbeeld, moet je kritisch vermogen en creativiteit toetsen? Waar blijft het aspect zelf ontwerpen en –daardoor—eigen maken, waar het volgen van andermans procedures veel makkelijker leerbaar is?

Jim Crace biedt met Harvest een krachtige allegorie die samenhangt met een boek uit 1941 met de titel The Managerial Revolution: What is Happening in the World. Het was een bestseller, alleen al door de bijtitel. De vraag wat er in de wereld aan de hand was lag in 1941 op vele lippen. Schrijver was James Burnham, een hoogleraar filosofie aan de New York University. Eerst een Trotskist en later een leidende persoon in het Amerikaans Republikeins conservatisme. Hij beschrijft ontwikkelingen als bevolkingsgroei, schaalvergroting en steeds complexer wordende vraagstukken als drijfveren voor een ontwikkeling waarin de manager de macht verzamelt om met kracht te ‘ontvreemden’. Complexiteit wordt met modellen teruggebracht tot een samenstel van goed te managen eenheden, mensen incluis. Er ontwikkelt zich een elite die de plaats inneemt die eerder door de aristocratie en vervolgens de kapitalistische grootondernemers werd ingenomen. Een nieuwe cartografie doet zijn intrede.

Om –op zijn minst—vier redenen staat de management elite nu onder druk. Het ontvreemden dat een onderdeel is van de managerial revolution is doorgeschoten. Velen voelen zich niet thuis in de in kaart gebrachte wereld, en laten dat ook weten. Niet alleen zijn de aannames van managers onherkenbaar, er is een wereld geschapen waarin mensenwerk teveel is teruggebracht tot arbeid. Teveel merken mensen deel te zijn van een elders besproken doelgroep. Ze zijn een element in een raderwerk waarvan de functie niet meer wordt gezien. Het is wat leidt tot het emotionele en ongeordende verzet waarin mensen zoals Donald Trump lijnen trekken.

Belangrijker nog is de tweede reden waarom de elite onder druk staat. De cartografie zoals die wordt benut om complexiteit vanuit het oogpunt van de manager werkbaar te maken voldoet niet meer. De plank wordt misgeslagen. Nog kan de schuld worden gelegd bij degenen die aan de hand van de plattegronden aan de slag zijn, maar dat zijn ook degenen die in toenemende mate de tekortkomingen van de gangbare cartografie aantonen.

Op de derde plaats is cartografisch vermogen niet meer het monopolie van de manager. Modellen, protocollen, netwerken, arrangementen zijn ook het product van –bijvoorbeeld—social designers en kunstenaars die nieuwe representaties geven van complexe vraagstukken. Representaties die inspirerender zijn, inclusiever, democratischer. Ook burgers roeren zich door met eigen arrangementen te komen.

Ten slotte is er het aspect ‘diversiteit’, overigens ook een ontvreemdend begrip waarmee een complex samenstel van kwesties in bedwang wordt gehouden. James Burnham en de zijnen kwamen, en komen er nog steeds ruiterlijk voor uit dat het in kaart brengen van de wereld een witte aangelegenheid is. In het Amerikaans conservatisme is de drang groot het zo te houden. De Verenigde Staten is nu eenmaal ontstaan als –ook letterlijk—blanke plattegrond. De blanke, laten we het voor de zekerheid maar Westerse noemen, cartografie wordt niet meer als leidend geaccepteerd.

Druk op de management is geen kritiek op het fenomeen op zich. Management, elite, representatie, modellen, cartografie zijn niets nieuws en behoren tot het menselijke repertoire. Het behoort ook tot het menselijke vermogen het teveel omvattende terug te brengen tot een samenstel van zaken waarmee te leven valt, uit lijfsbehoud. Gevolg is een geschiedenis van competities tussen cartografische methoden en daadwerkelijke representaties van het teveel omvattende.

Waar ontvreemding overgaat in vervreemding zoeken mensen naar bevredigender representaties. Dat verklaart zowel een destructieve tendens als een creatieve. De eerste wordt gekenmerkt door radicaal geweld, waarvan filosofe Hannah Arendt zei dat die opkomt waar mensen ervaren nutteloos te zijn. Dat vergt wel een representatie van het teveel omvattende die voorziet in van nut zijn. Daar wordt tegenwoordig ruim in voorzien.

Tegen de achtergrond van het schokkende radicale geweld wordt te vaak over het hoofd gezien dat er enorm veel constructieve representaties in de maak zijn. In een volgend blog aandacht voor die ontwikkeling, en dan vooral hoe die zijn weerslag vindt in hoe we met de stad omgaan, en met hoger beroepsonderwijs.