Untitled

Wanneer ‘het kwade’ aan de orde is gaat het over het algemeen over de uitkomsten ervan. Wat het eraan voorafgaande handelen in de grond van de zaak is geweest is minder aan de orde. We wachten steeds op de onoverkomelijke illustratie van het kwaad, voordat we over kwaad denken te kunnen spreken. Het wachten is steeds op het onalledaagse, dat we kunnen veroordelen.

We mogen daarom niemand met Hitler vergelijken. Zijn Ausrottung krijgt betekenis in de gestalte van stapels uitgemergelde lijken. Die betekenis kunnen we vervolgens niet hechten aan het huidige, alledaagse kwaad. Dat valt immers reuze mee.

We kunnen het ook moeilijk hebben over het goede zonder op de uitzonderlijke voorbeelden daarvan te wijzen, om vervolgens in nederigheid te concluderen dat het eigen goede daartegen schril afsteekt.

We bekijken ook kunst als uitzondering, als ‘dus’ goed ook wanneer het lelijk is. We geven als gewoonte een staande ovatie. We adoreren de bekende Nederlanders als de uitzondering die ze zijn. Uitzonderlijkheid is de prestatie die we toejuichen.

We leven in La Société du spectacle, zoals de situationalist Guy Debord het noemt. In het boek met die titel schrijft Debord dat “de waarneembare wereld vervangen [is] door een keur van beelden die erboven staat.” Die beelden zijn nu het waarneembare bij uitstek en bepalen ons denken over wat de wereld is.

Dat leidt nauwelijks tot misverstanden. De beelden die ons denken bepalen zijn de afspiegeling van werkelijk goed en werkelijk kwaad. Wat het tekort is is dat de beelden ons afhouden van het denken over doen, ons doen, dat eraan vooraf gaat.

Kwaad en goed als handelen zijn buiten het domein van het denkbare komen te liggen, zegt Michel de Certeau in het laatste hoofdstuk van Arts de faire. Dat moest als eerste deel dienen voor het veel uitvoeriger l’Invention du quotidien. Het bedenken van het dagelijkse lijkt niet te kunnen samengaan met het denkbaar maken van de uitkomsten van dat dagelijkse, de beelden daarvan, het waarneembare. Dat denkbaar maken dwingt de reflectie op ons gemeenschappelijke handelen af.

De exclusiviteit van goed als gebaseerd op talent, en het kwaad als gevolg van het ontbreken van moreel besef heeft zijn grond en fungeert als een nieuw Calvinisme. Het ontlast degenen die niet tot de exclusieve groep behoren van het dragen van de verantwoordelijkheid om goed te belonen en kwaad te straffen. Beide besteden zij uit. Het uitdelen van prijzen is amusement. Het terechtwijzen van pubers op straat is de taak van straatcoaches en politie. Men houdt gepaste afstand en kijkt toe vanuit de beslotenheid van de particuliere kring.

Menig zeer gewelddadige mens –moordenaars, verkrachters—heeft een eigen geschiedenis van slachtofferschap. Het sociale sentiment dicteert dat dit niet als verzachtende term mag gelden. Erger nog is het dat de sociale condities waarin slachtofferschap ontstaat, en vooral de ongelijkheid die eraan ten grondslag ligt, niet meebedacht worden. We zouden eens kunnen worden geconfronteerd met dat we heel wel talent hebben en gewetenloos kunnen zijn.

De uitgemergelde gruwel in de concentratiekampen heeft niet met de dood te maken maar met het soort leven dat eraan voorafging, in ruime mate gruwelijker dan de dood die erop volgde. Meneer Zwart, een stamgast van een kroeg waar ik veel kwam, verborg zijn getatoeëerde nummer op zijn arm niet. Met hem als overlevende van de kampen zette het gruwelijke leven zich voort, maar niet als afstotelijk beeld maar als deel van mijn leven. Dat meneer Zwart zijn borrel dronk in de omgeving waarin ik me geborgen voelde zorgde ervoor dat ik niet kon terugvallen op de Wannsee-conferentie als geschiedkundige verklaring voor dat nummer. De verklaring lag inmiddels veel dichterbij. Ze waren er aan de Wannsee ook veel sneller uit dat wat ‘conferentie’ suggereert. Het was allemaal nogal vanzelfsprekend. Even afstemmen was voldoende. Achteloosheid. Afvalverwerking immers. Er ontstaat een verhaal van menselijk handelen dat herkenbaar is. Ik doe eraan mee.

Ik kom graag in Japan. De gruwelijkheden die in naam van dat land zijn gepleegd tarten elke beschrijving. Ik heb de drang om met een vreselijk beeld uit Nanking de gruwel al verhalend te illustreren, maar ik doe dat niet. Het laat de vraag wat hier de oorsprong van het kwaad is onbeantwoord.

Er zijn Japanners berecht. Toch kunnen we het niet over een Japanse Hitler hebben. Dat is ook het noodlot van de miskende slachtoffers van Japanse gruweldaden. In de drang te verklaren lijkt het vooral de ontaarding van individuen te zijn waar we de oorzaak denken te kunnen vinden. Soldaten die in hun drang de ware Japanner te zijn lieten zien hoe volksaard zich in wreedheid kan uiten. Eigenheid als perversiteit.

Ik realiseer me met enige schroom dat juist in Japan het kwaad eerder een uitdrukking was van een banaal en gemeenschappelijk idee over wat goed is. Het bedachte dagelijkse leven is er verleidelijk. Er wordt een sfeer geschapen die uitnodigt om –letterlijk ook—ruimte te bieden aan anderen. In overweldigend drukke stations in Tokio ontwikkelt zich al ver voor de feitelijke roltrap een keurige rij reizigers. Iedereen gaat aan één kant staan, zodat de andere kant voor lopen beschikbaar blijft. Sterker nog, iedereen houdt een trede afstand tot de voorganger. Er doen zich momenten van aarzeling voor waarin het lijkt alsof mensen wachten op een antwoord op een gedragsvraag waarop het antwoord moet komen uit de gemeenschappelijkheid. Als buitenstaander wordt me al aarzelend snel aangeleerd hoe men mijn gedrag het liefste ziet. Ik krijg geen opdracht maar er wordt me in veelvoudig doen getoond wat hier de afspraken zijn. Dat vergt geen deliberatie maar vormt een publieke choreografie. Meedoen is rustgevend, en confronteert me met de onrust van thuis en mijn schroom om me te bewegen in een impliciet samenstel van normen.

Die schroom stelt me voor het probleem dat ik een dergelijk samenstel van normen propageer als de basis voor een gezonde stad. Ik spreek de befaamde stedelijke activiste Jane Jacobs na: in de gezonde stad is de stoep niet veilig louter doordat de politie er surveilleert maar door een “intricate, almost unconscious, network of voluntary controls and standards among the people themselves, and enforced by the people themselves.” Hoe verhoudt zich dat met het huidige stedelijke inzicht dat als fietser wachten tot het stoplicht op groen staat een uiting is van burgertrutterigheid? Doorrijden is een daad van verzet.

De Japanse fotograaf Momo Okabe maakte een serie beelden van vrienden die allen verzet tonen tegen het dominante arrangement en de veronderstelde mythische esthetiek als verklaring voor wat in dat arrangement goed is. Het verzet uit zich in pijn vertrokken gezichten, in wanorde, eenzaamheid. Het doet me aan radicalisering denken die we in het Westen bespreken. Het is in destructie dat een antwoord wordt gevonden op het dominante arrangement. Zelfdestructie op de eerste plaats, in de veronderstelling dat in die destructie een deel van de verfoeide wereld wordt vernietigd.

Het is wrang vast te moeten stellen dat in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw het Japanse verzet zich veel meer dan nu uitte in kunst. Dat was elders ook het geval. Het situationalisme van Debord was kunst, leidde tot het fenomeen happening en inspireerde niet alleen de Autonomen maar ook de Punk. Kunst werd gepropageerd als onderdeel van een voortdurend revolutionair verzet tegen het dominante, door de vorige generatie tot stand gebrachte ordening.

De huidige uitval van kunst als op zijn minst een tegenarrangement leidt tot dusdanig handelen dat –cynisch gezegd—prachtige foto’s kunnen worden genomen van de armoede en destructie die kunstloos verzet oplevert. Het verval van de kunst is onderwerp van kunst en daarmee een bevestiging van teloorgang. Wat overblijft zijn de museale beelden waarin we ons kunnen wentelen; als aflaat.

Het alledaagse goed bestaat op het ogenblik bij de gratie van –om een vakterm de gebruiken—een verre ‘risico-horizon’. We doen, en de gevolgen daarvan tonen zich –vaak ook letterlijk—voorbij onze horizon. Ze raken de vreemde, ook in termen van komende generaties. We kunnen er ons geen voorstelling van maken.

En dan nu ‘bureaucratie’. Zoekend naar een pointe van het voorafgaande was het wachten blijkbaar op de aankondiging van een boek. Bureaucratie is een inktvis is een nieuw werk van de filosoof René ten Bos. Ik heb het niet gelezen maar de tekst bij de aankondiging raakt me, windt me op.

“René ten Bos onderwerpt bureaucratie aan een filosofische analyse en beschrijft haar als de ecologie van de moderne mens: ze vormt ons en bepaalt wie we zijn, maar ze bedreigt ons ook. Bureaucratie is door en door menselijk, maar zet tegelijkertijd onze menselijkheid steeds weer op het spel. Bureaucratie is een inktvis is bedoeld voor iedereen die dagelijks bezig is met organisaties – wij allemaal dus.”

Eichmann in Jeruzalem, waarin Hannah Arendt in 1963 voor de New Yorker verslag doet van het proces tegen Albert Eichmann, de boekouder van de Ausrottung, begint met:

“Beth Hamishpath” – the House of Justice: these words shouted by the court usher at the top of his voice make us jump to our feet as they announce the arrival of the three judges, who, bareheaded, in black robes, walk into the courtroom from a side entrance to take their seats on the highest tier of the raised platform.

Ik realiseer me meteen dat bureaucratie allerminst ‘door en door menselijk is’. Ik ben ook niet dagelijks bezig met organisaties. De uitspraak dat ‘wij allemaal dus’ ons dagelijks bezig houden met organisaties is generaliserend ‘dus’ niet juist.

Ik vind bureaucratie menselijk, maar niet ‘door en door’. Bureaucratie bepaalt niet wie ik ben. Sterker nog, ook het gehanteerde ‘wij’ waarover in de aankondiging wordt gesproken is wat mij betreft een Jungiaanse archetype van een veronderstelde eenheid. ‘Wij’ als wishful thinking, als eenheid in een bijna wiskundige, logisch-analytische vergelijking. Het is hetzelfde als ‘doelgroep’; eerder ‘hun’ dan ‘wij’.

Beth Hamishpath is wel een ecologie van de moderne mens, en niet de bureaucratie die sommigen erin zien en er dus van maken. De organisatie van het huis, het gemeenschappelijke onderkomen waarin het recht een tastbaar handelen is, als zaak die ons allen aangaat, is iets anders dan de organisaties waar iedereen mee bezig is.

Organisatie als handelen is wat ons vormt en bepaalt wie we zichtbaar zijn. Het omvat het publiek maken van wat onze positie is ten opzichte van de wereld. Bureaucratie is een uitvloeisel van de bij sommigen gevoelde noodzaak om die positie te benutten en de wens te organiseren te beteugelen.

We lijken ingeklemd tussen enerzijds de bescherming van de bureaucratie die niet zozeer bepaalt wie we zijn maar ons weerhoudt daar volledig naar te handelen. Anderzijds is er de noodzaak om ruimte te nemen voor organiseren. Beide zijn riskant wanneer de mogelijke uitkomsten tot het ondenkbare blijven behoren. Juist daarom is het zo belangrijk dat kunst opnieuw de functie krijgt van pijnlijk kritische representatie.

Wordt vervolgd.