Willem Witteveen zag het met lede ogen aan: “wij zien de wet niet meer als kunstwerk, maar als een instrument”. Niet meer als kunstwerk, en dus zag de hoogleraar Encyclopedie van de rechtswetenschap en lid van de Eerste Kamer voor de PvdA het als zijn taak iets tegenover deze “vergissing” te plaatsen. Dat werd het postuum uitgegeven De wet als kunstwerk: een andere filosofie van het recht.

De titel trok mijn aandacht omdat de denkstrategie van Witteveen nogal wat overeenkomsten vertoont met die van ons lectoraat Change Management: wat als we dat wat ons dierbaar is op een andere dan gangbare manier proberen ‘op te denken’? Zelfs de agenda’s zijn bijna identiek: kunnen we de wet respectievelijk een organisatie als kunstwerk beschouwen en niet als een middel tot een doel?

Ik was aanv20150619_232532ankelijk vooral geïnteresseerd in hoe Witteveen zijn metafoor zou uitwerken. Dat wil zeggen, in de vraag hoe hij ideeën, beelden en ervaringen uit het domein van de kunsten zou overhevelen naar de wereld van de wetten. Dat bleek geen handige insteek want Witteveen besteedt in zijn vuistdikke De wet als kunstwerk maar weinig aandacht aan de kunst als zodanig. Het gaat de auteur duidelijk om het contrast kunstwerk/instrument; meer om de kunst van het wetgeven dan om een inhoudelijke verkenning van de zeggingskracht van kunst in het recht.

Jammer maar niet getreurd want De wet als kunstwerk is hoe dan ook een prachtig werk, ook voor organisatiekundigen.

In Witteveens ideaalbeeld  van de rechtstaat staat de wederkerige vertrouwensrelatie tussen burger en overheid centraal. “De overheid schept door wetten en regelingen te ontwerpen een normatief kader waarbinnen  de burger zich vrijelijk kan bewegen. Een ongeschreven norm van reciprociteit doortrekt de gehele praktische kunst van het maken van wetten waarmee mensen kunnen leven” (p.370). Komt de wederkerigheid onder druk te staan, bijvoorbeeld omdat de overheid de wet als tool voor governance gaat zien, dan komt de gehele rechtstaat onder druk te staan.

In De wet als kunstwerk herpakt Witteveen aan de hand van een groot aantal filosofen en rechtsgeleerden de ‘tien geboden voor de wetgever’ – spelregels die die er gezamenlijk toe moeten leiden dat de wet door makers en gebruikers wordt ervaren als een zinvolle ordening van het maatschappelijk verkeer. Algemeenheid, openbaarheid, begrijpelijkheid, samenhang en hanteerbaarheid zijn voorbeelden van deze geboden.

Nu is de wet natuurlijk iets anders dan een organisatie, maar als Witteveen uitvoerig ingaat op betekenis, reikwijdte en beperkingen van regels in de context van zinvolle ordeningen dan kan de relevantie voor de organisatiekunde nooit ver weg zijn.

De wet als kunstwerk is dan ook een enorme snoepwinkel. Aan de hand van het werk van Weber en Kafka betreurt Witteveen nog maar eens hoe weinig we terugzien van het mooie dat de bureaucratie te bieden heeft en hoe herkenbaar zij is in haar geperverteerde variant, namelijk als zielloze en ongecontroleerde vermalingsmachine. Foucault komt langs, met zijn analyse van de overgang van de oude regeerkunst (juridisch-politiek; als zodanig herkenbaar) naar nieuwe,  vaak onzichtbare en gedecentreerde vormen van regulering en normering , ofwel disciplinering. Bekende namen, ook in de organisatieliteratuur, maar juist omdat ze niet specifiek in de context van organisaties worden besproken weer heel fijn om te herlezen.

Ook mooi: de passage over de bijdrage van denker De Bono, die constateert dat er geen natuurlijke evolutie naar eenvoud bestaat, en al helemaal niet in het recht. Alles wordt complexer, stelt hij, omdat we met amendementen en aanpassingen voortbouwen op een bestaande basis,. “Misschien zou elke wet bij zijn geboorte een einddatum moeten meekrijgen”, stelt De Bono maar half grappend voor. Een ontwerpmentaliteit die tot bewuste keuzes leidt, noemt Witteveen dat (p.218). Zouden we misschien eens ter harte zouden moeten nemen bij het ontwerp van organisaties. Hoeveel organisaties kennen we nog met een heldere einddatum, een duidelijk moment waarop we worden gedwongen te reflecteren op het bestaansrecht? Zou misschien een hoop dolende organisaties en kansloze reorganisaties schelen.

Niet voor de eeuwigheid willen wetgeven/organiseren dus. Een aanverwante suggestie komt uit de koker van de Amerikaanse pragmatist John Dewey, die zich geen fan toont van voorschriften die voortvloeien uit een blauwdruk of eerste beginselen, en (dus) van bovenaf worden opgelegd. Zinvolle voorschriften worden “ontdekt door te experimenteren, door gevestigde vormen opzij te zetten, door een nieuwe weg in durven te slaan maar de route wel tijdens de rit te evalueren” (p202). Maak geen wet of regel zonder experiment, is het pragmatische advies. Vertaald naar organisaties klinkt dat als een zeer aantrekkelijk alternatief voor het voortdurende gehamer op het belang van stippen op de horizon, koersvastheid, projectbewaking en beproefde aanpakken.

Maar misschien is de belangrijkste bijdrage van Witteveens magnum opus aan de organisatiekunde de tijd die hij neemt voor de rechtsfilosofische klassiekers. De letter en de geest, prudentia, interpretatieruimte, paradoxen, wederkerigheid. Jaloersmakend, dat die thema’s wel met zo veel liefde en zorg zijn behandeld in de rechtswetenschap. Maar ja, zo heeft ieder vakgebied wel wat.