De zomervakantie heeft iets bijzonders. Alsof de wereld heel even vertraagt. Agenda’s raken leger, automatische antwoorden verschijnen in inboxen en ergens tussen een stationsboekhandel, een campingstoel of een wandeling ontstaat ruimte om na te denken over vragen waar ik normaal gesproken te druk voor ben.

Misschien is dat precies waarom de zomer zo’n interessant moment is om stil te staan bij samenwerking.

Want terwijl organisaties steeds harder proberen grip te krijgen op complexe maatschappelijke vraagstukken, van arbeidsmarktkrapte en digitalisering tot woningnood en de energietransitie, groeit tegelijkertijd het gevoel dat niet alles maakbaar is. We ontwerpen processen, bouwen dashboards, formuleren KPI’s en organiseren overlegstructuren in de hoop meer controle te creëren. Toch kent vrijwel iedere professional situaties waarin een bepaalde samenwerking ondanks alle structuur toch vastloopt. Waarom voelt het ene gesprek direct open en constructief, terwijl een ander overleg vanaf het eerste moment stroef aanvoelt? Waarom voel je soms spanning voordat iemand iets zegt? Waarom vertraagt een samenwerking zonder duidelijke aanleiding? En hoe kan het dat sommige teams ineens lijken te ‘landen’ in een gezamenlijke richting, nog voordat alles inhoudelijk is uitgesproken?

Wat voelbaar is vóór het zichtbaar wordt
Juist die vragen vormen steeds meer de kern van mijn werk als onderzoeker binnen het lectoraat Change Management en kerndocent bij de deeltijd master Human Capital Innovatie aan De Haagse Hogeschool.

In de combinatie van onderwijs, praktijkgericht onderzoek en samenwerking rondom complexe vraagstukken ben ik steeds nieuwsgieriger geworden naar wat vaak buiten de notulen blijft: de onderstroom van samenwerking.

Lange tijd vond ik het lastig om zulke ervaringen serieus te nemen binnen een professionele context. Alsof waarneming pas legitiem wordt wanneer zij volledig rationeel verklaard kan worden. Tegelijkertijd ontdekte ik, zowel in onderzoek als in mijn eigen professionele ontwikkeling, dat juist deze signalen vaak waardevolle informatie bevatten over wat er relationeel werkelijk gebeurt.

Tussen ratio en intuïtie
De afgelopen jaren ben ik me daarom steeds meer gaan verdiepen in intuïtie, belichaamde waarneming en impliciete kennis. Niet als alternatief voor analyse, maar als noodzakelijke aanvulling daarop. Want misschien vraagt samenwerken in complexe contexten niet om meer kennis en controle, maar ook om een verfijnder vermogen om waar te nemen en de interactie tussen mensen, systemen en omstandigheden aan te voelen. Helpt bewuster waarnemen van jezelf en de onderstroom niet om nieuwe patronen en/of uitkomsten die juist onderweg ontstaan te herkennen en daarop in te spelen?

Wat telt als kennis?
Die zoektocht raakt aan een bredere vraag over wat we eigenlijk als kennis beschouwen. Binnen dominante kennistradities ligt de nadruk vaak op expliciete en vastgelegde kennis: modellen, analyses, rapportages en meetbare uitkomsten. Performancewetenschapper Diana Taylor (2003) laat echter zien dat kennis zich niet uitsluitend bevindt in wat wordt opgeslagen, maar ook in wat mensen belichamen en uitvoeren. Zij onderscheidt het archive (= datgene wat wordt vastgelegd) van het repertoire (= kennis die leeft in interactie, ervaring, gedrag, rituelen en lichamelijke overdracht). Precies daar ontstaat voor mij een interessant spanningsveld: wat gebeurt er wanneer belangrijke informatie zich niet volledig laat vastleggen, maar wel degelijk voelbaar aanwezig is? Welke kennis missen we wanneer samenwerking uitsluitend rationeel benaderen? En hoe onderscheid je impulsieve onderbuikreacties van zorgvuldig ontwikkelde professionele intuïtie?

Samenwerken in een wereld die beweegt
Die vragen worden juist relevanter in een wereld die steeds vaker wordt omschreven als VUCA: volatiel, onzeker, complex en ambigu (Eden et al., 2021). In zulke contexten veranderen vraagstukken voortdurend terwijl belangen, perspectieven en afhankelijkheden steeds meer met elkaar verweven raken. Samenwerking is daarin geen luxe meer, maar een noodzaak.

Tegelijkertijd vraagt intuïtief werken om grote zorgvuldigheid. Niet ieder gevoel is automatisch een betrouwbare bron van kennis. Intuïtie vraagt daarom om meer bewustzijn, vertraging en (zelf)onderzoek. Misschien is dat ook waarom praktijkgericht en kwalitatief onderzoek voor mij zo belangrijk zijn geworden. Juist daar ontstaat ruimte om ervaringen, innerlijke dynamiek relationele verbindingen impliciete kennis serieus te nemen.

Deze blog geeft daarom geen antwoord op de vragen, maar is een opening voor een reeks blogs. Na de zomer start ik mijn onderzoek naar wat intuïtief vermogen, onderstroom en belichaamde kennis kunnen betekenen binnen samenwerking rondom complexe vraagstukken.

Misschien vraagt de toekomst van professionals niet alleen om de samenwerking slimmer te organiseren, maar ook om beter te leren waarnemen en meer in verbinding te zijn met jezelf en de ander. En misschien begint dat juist op het moment dat alles vertraagt, je op jezelf aangewezen bent en daarvoor de tijd neemt…

Hele fijne vakantie toegewenst!

Referenties

Den, L., Nielsen, B. B., & Verbeke, A. (2021). Research methods in international business: The challenge of complexity. Journal of International Business Studies, 52(9), 1609–1620. https://doi.org/10.1057/s41267-021-00494-3

Taylor, D. (2003). The archive and the repertoire: Performing cultural memory in the Americas. Duke University Press.

Plaats een reactie