Een Godwin heet het, en heel in het kort komt het erop neer dat in iedere discussie iemand uiteindelijk de vergelijking met de Nazi’s zal maken. Die vergelijking wordt vaak gezien als een zwaktebod. Daar is veel voor te zeggen. 

Het is ronduit onfris om een conducteur te vragen waarom de treinen in 1943 dan wel op tijd konden rijden of een rechte lijn te trekken van de vlokkentest naar het ‘euthanasieprogramma’ van de nationaalsocialisten.

En toch is het de vraag of we niet eerder te weinig dan te veel verwijzen naar de Nazi’s. Die vraag is niet retorisch bedoeld – ik weet het echt niet.

Geen idee of het nog onder normale beroepsdeformatie valt, maar het lukte mij niet om The Nazis and The Final Solution te kijken zonder aan mijn vakgebied te denken. Zo’n beetje alle aspecten van de organisatiekunde komen in hun donkerste, meest onthullende variant voorbij in deze zesdelige BBC documentaire over de vernietigingskampen: van strategie tot logistiek, van onderhandelen tot procesoptimalisatie en van bedrijfsdiefstal tot de werk-privébalans van de kampcommandant. Misschien kon ik het er allemaal in lezen omdat de BBC al wat framing voor me had gedaan: Auschwitz-Birkenuau, het gitzwarte hoofdstuk uit de moderne geschiedenis, wordt beschreven als een fabriek, een fabriek waar de dood werd geproduceerd.

Het is één ding om de aandacht te vestigen op de organisatievraagstukken van de Nazi’s, het is echt wat anders om dat wat we weten van toen in verband te brengen met het nu. Juist in de organisatiekunde, een vakgebied dat zich toch al eenvoudig laat verleiden tot checklists en stappenplannen, voer je de Nazi’s niet lichtzinnig ten tonele. Er zijn hele, hele goede redenen om het in een college over leiderschapsstijlen wel over Steve Jobs en niet over Adolf Hitler te willen hebben, en even goede redenen om niet openlijk te willen onderzoeken of een concentratiekamp zich beter laat typeren als machinebureaucratie of als adhocratie. Maar het heeft ook iets wrangs om Nazi-Duitsland, een van de best onderzochte en gedocumenteerde tijdperken, niet vaker naar ons toe te trekken als bron van kennis.

Hoe dat te doen – ik weet het echt niet.

Onlangs las ik Working Towards the Führer van Ian Kershaw. De Engelse hoogleraar citeert in zijn artikel de (vertaalde) passage uit een ‘routine speech’ van Werner Willikens, Staatsecretaris voor het Ministerie van Voedsel in 1934:

Everyone who has the opportunity to observe it knows that the Führer can hardly dictate from above everything he intends to realize sooner or later […] Very often and in many spheres it has been the case – in previous years as well – that individuals have simply waited for orders and instructions. Unfortunately, the same will be true in the future; but it fact it is the duty of everybody to try to work towards the Führer along the lines he would wish’.

In het artikel analyseert Kershaw wat juist deze filosofie heeft bijgedragen aan de ‘progress into barbarism’. Voor mij (als niet-historicus) nogal een eyeopener omdat ik Nazi-Duitsland juist lang met heldere bevelstructuren heb geassocieerd. Weer wat geleerd.

Maar die kennis gaat wel mooi met je aan de haal en zorgt voor gedachtenbruggetjes waar je helemaal niet op zit te wachten.

Zo stuitte ik recentelijk op het begrip Commander’s Intent, afkomstig uit het legerwaar het een belangrijke rol schijnt te spelen bij militaire besluitvorming en planning: ‘[Commander’s intent] acts as a basis for staffs and subordinates to develop their own plans and orders to transform thought into action, while maintaining the overall intention of their commander.’

Voor je er erg in hebt klik je wat door en kom je op allerlei montere managementsites waar het werken met het principe van Commander’s Intent van harte wordt aanbevolen: als oplossing voor onnodig micromanagement, als ‘kern voor leidraad bij coördinatie’ of als antwoord op ‘complexe en onvoorspelbare omstandigheden’. Stuk voor stuk artikelen met het hart op de goede plaats. Geen haar op m’n hoofd om de auteurs van duistere motieven te betichten. Maar zo’n speech van die Staatsecretaris, die wis je niet zomaar uit je geheugen, om nog maar te zwijgen van daaropvolgende analyse van hoogleraar Kershaw. Teksten die helemaal niks met elkaar te maken hebben, hebben ineens alles met elkaar te maken.

Wat moet je daar nou mee? Moet je daar wat mee?

Ik weet het echt niet. Echt niet.