Na een aangename maar vermoeiende dag werken in mijn atelier in Amsterdam begon de reis naar huis onaangenaam. De intercity naar Amersfoort bleek wegens omstandigheden niet te rijden. “Wat is nu de snelste manier om in Amersfoort te komen? vraag ik aan de medewerker achter het NS Serviceloket. “Over 5 minuten vertrekt er een sprinter…” “Gaat het niet sneller als ik via Utrecht reis? vraag ik. Dat ik een hekel aan sprinters heb zit hem ook in de naam. “Nee meneer, met de sprinter bent u toch 5 minuten eerder in Amersfoort”.

 “Een schokkende, nauwe, dreunende, vuile, tochtige, harde, tuitelige doos, een soort van grote rammelende builkist op vier wielen; in de ene hebben we geen plaats voor onze dijen, in de andere geen ruimte voor onze knieën; uit deze komen wij met bevroren tenen, uit gene met een stijve nek; we rijden ons ziek, we rijden ons hoofdpijn, we rijden ons dóór; we menen gek te worden van het gesnor aan onze ogen ’t gedender aan onze voeten; en dikwijls denken wij er, onder het dooreenwerpen onzer ingewanden, met bekommering aan, wat gelukkiger zijn zou, dood of levend eruit te komen!

Dan hoor ik via de intercom de conducteur meedelen: “Zoals aangekondigd wachten we bij station Naarden/Bussum twintig minuten om de intercity naar Enschede te kunnen laten passeren.” Aangekondigd…! 20 minuten…! Intercity naar Enschede! Mij is aangekondigd dat ik sneller in Amersfoort zou zijn als ik deze sprinter zou nemen…!

Met gedachten als: “Wees blij dat je niet per trekschuit of diligence hoeft te reizen…! En “Wat een weelde dat ik nu nog wat langer kan lezen” probeerde ik mijzelf tevergeefs in een andere stemming te brengen. Beets droomde ervan dat de spoorwegen nu eindelijk ook in de lage landen zouden verschijnen.

“Spoorwegen! heerlijke spoorwegen! op u zal niet gerookt worden; want daar is geen adem! Op u zal niet geslapen worden; want daar is geen rust! Op u zal niet worden gebabbeld; want daar is geen tijd! Zo daar op u ook onaangenaamheden en jammeren zijn, zij zullen de tijd niet hebben ons te bereiken, wij, geen gelegenheid om ze gewaar te worden! Maar komt! komt, heerlijke spoorwegen! Daalt als een tralienet neder op onze provinciën! Vernietigers aller grote afstanden! (…) langs uw gladde banen, dagelijks door elkander zal geschoten worden als een partij weversspoelen, zal er welvaart en bloei en leven en spoed in ons dierbaar vaderland heersen!”[i)

Een klein uur later dan gepland arriveer ik in Amersfoort. Inmiddels regent het pijpenstelen. “Dat kan er ook nog wel bij” dacht ik zoekend naar mijn fiets. “Mijn fiets…, waar is mijn fiets? Ik weet toch zeker dat ik hem hier vanochtend heb neergezet? Wanhopend en tegen beter weten in loop ik langs alle fietsen, misschien dat iemand hem verplaatst heeft. Dat zou toch kunnen?

Zou die dan nu toch gestolen zijn? Mijn dierbare bezit. Een paar dagen eerder nog had ik speciaal kinderzadeltje op de stang laten monteren. Ook dat nog. Misère komt zelden alleen. Mijn fiets… gestolen…

Als ik naar het busstation loop, onder mijn arm mijn ziel, kijk ik nog een keer achterom. Mijn oog valt op een geel bord met de tekst: “Fietsen die niet in de fietsenstalling geparkeerd staan worden verwijderd”. Daaronder een telefoonnummer. Mijn fiets stond wel in de fietsenstalling zeg ik in kijzelf. Om het onvermijdelijke nog wat uit te stellen bel ik toch het nummer. “Het kan best zijn dat uw fiets hier staat” zegt de mevrouw aan de andere kant van de lijn, “vandaag is er weer een lading binnengebracht.” En: “We zijn vandaag tot 19.00 uur open.”

Op het industrieterrein staat een grote loods. De loods staat vol fietsen, zo’n duizend schat ik. “Zijn die allemaal vandaag opgehaald?” “Nee” antwoordt ze “de meeste van deze fietsen staan hier vanaf week 21, maar de rechthebbende eigenaren komen ze niet ophalen.” Haar antwoord klinkt alsof ze het vertrouwen in de mensheid lange tijd geleden verloren heeft. “Dat snap ik wel” antwoord ik “ze denken dat hun fiets gestolen is…”

IMG_2931“Maar waarom is mijn fiets uit de stalling weggehaald? vraag ik. “Hij stond toch netjes geparkeerd?” “We zullen eens kijken” antwoord de mevrouw en ze draait het computerscherm in mijn richting. “U kunt bladeren tot u uw eigen fiets tegenkomt”. Op het beeldscherm verschijnen als criminelen de gefotografeerde fietsen. “Een efficiënt verdienmodel” mompel ik korzelig. En ja hoor, na korte tijd verschijnt nr. 2186. “Kunt u mij uitleggen mevrouw wat hier mis is? De mevrouw bestudeert bewijsstuk 2186. Na enige tijd antwoordt ze: “Tja meneer, ik maak het beleid niet. Ik voer het enkel uit… als u dit formulier invult, kunt u hier 15 euro pinnen en met dit formulier kunt u een klacht indienen bij de gemeente. Als u even wacht zal ik de fiets voor halen.”

[i] Camera Obscura, Hildebrand, Elsevier Amsterdam/Brussel, 1978 (pag. 107, 113-117)