“We habitually observe by the method of difference. Sometimes we see an elephant, and sometimes we do not. The result is that an elephant, when present, is noticed” (Whitehead, Process and Reality).

Wellicht vraagt u zich af wat bovenstaand citaat met de titel van deze blog te maken heeft. Het is immers niet zo dat wij veelvuldig olifanten binnen de muren van onze school hebben lopen (helaas). Whitehead poneert hier indirect een belangrijke vraag: stel dat die olifanten wel vrijuit de school in en uit zouden lopen: zouden we er dan nog van opkijken?

Wanneer fenomenen binnen een bepaalde situatie als ‘gewoon’ worden ervaren, nemen we ze minder goed waar, aangezien ze juist geen verschil aanduiden. Wellicht raadde u het al: zo ook in het onderwijs.
Om onderwijs uit te voeren op een schaal die een grote onderwijsinstelling, zoals een hogeschool of universiteit, vraagt, moet het georganiseerd worden. Het organiseren op een dergelijke schaal gaat gepaard met een ander fenomeen dat we duiden als ‘bureaucratie’. Volgens de van Dale betekent dit een ‘overmaat aan regelende instanties en regelingen’.
Veelal wordt die bureaucratie als gelijktijdig vervelend en mysterieus ervaren: “waar komt dit eigenlijk vandaan? Waarom moeten de zaken op deze wijze lopen?”

Interessant aan bureaucratie in relatie tot Whiteheads uitspraak is, dat we het kennelijk nog steeds in bepaalde situaties bewust genoeg waarnemen om het expliciet te benoemen. Waar we nu voornamelijk in geintresseerd zijn, zijn die situaties waarin we bureaucratie niet meer actief ervaren, wat nog niet betekent dat zij niet aanwezig is. Ik bedoel: in onszelf als uitvoerende didactici.

Als docent hoor ik regelmatig de figuurlijke uitspraak dat wij ‘boven de stof moeten staan’. Interessant aan deze uitspraak is wat de letterlijke betekenis ervan zou moeten zijn. Wat betekent in dit geval ‘boven moeten staan’? Dat ik meesterschap heb over datgene wat ik doceer? En wat bedoelen we met dat abstracte begrip ‘de stof’? Het geheel aan kennis en vaardigheden waarin ik doceer? Waar liggen dan de grenzen, en kunnen we deze nog adequaat benoemen?

In het geval dat ik enigszins in de buurt ben gekomen van wat die uitspraak inderdaad betekent, moeten we ons afvragen of de idee van het ‘boven de stof staan’ niet op zichzelf een manifestatie is van bureaucratie, een ongeschreven maar overmatige regel. Leren wij, als  zogenaamde meesters van die stof, dan nog wel zelf in voldoende mate?

Momenteel ben ik betrokken bij de ontwikkeling van het Corporate Bodies filmfestival (http://corporatebodies-filmfest.org/). Interessant, leuk, maar ook complex aan het ontwikkelen en organiseren van zo’n festival is dat je een hoop moet leren terwijl je het aan het opzetten bent. In deze situatie sta ik dus zeker niet ‘boven de stof’. In dit proces werk ik intensief samen met studenten, die eveneens niet boven de stof staan. We zijn dus actief samen aan het leren. op sommige onderdelen ben ik de studenten een halve stap voor, op andere geven zij mij weer nieuwe inzichten.

In de filosofie van Gilles Deleuze wordt de figuur van de nomade een waardevolle rol toebedeeld. Kenmerkend is dat de nomade, ondanks al zijn opgedane kennis, lang niet altijd weet waar hij naartoe reist, en dat hij zich niet obsessief bezighoudt met termen als ‘doel’ of ‘eindbestemming’: hij is voortdurend onderweg. Bij deze het voorstel om, wanneer u zich in de rol van didacticus bevindt, eens een nomadische houding aan te nemen.