Kunstenares Marjorieke Glaudemans schreef een boek (een essay) over het individuele in organisatie, management en bestuur, getiteld Is er ruimte in de gevestigde orde? Had zo maar een boek kunnen zijn dat je leest, uitleest, terzijde legt en maar eens gaat slapen. Maar dan begin je een blog en neem je jezelf voor – o dwingend medium – niet aan een nieuw boek te beginnen voordat je het oude hebt besproken. Een ontregelde ervaring.

Over Is er ruimte in de gevestigde orde? kun je behoorlijk wat onaardige dingen zeggen. Zo spreekt Glaudemans bij herhaling over organisaties als complexe systemen maar besteedt ze nauwelijks aandacht aan wat de literatuur ons influistert over dit type systemen. Complexe systemen zijn emergente verschijnselen, wat betekent dat zij eigenschappen vertonen die niet kunnen worden herleid tot het gedrag van de individuele componenten van het systeem. Dat is wat complexe systemen zo interessant en rijk maakt, maar Glaudemans presenteert organisaties-als- complexe-systemen doodleuk als onze eigen bedenksels, als vehikels om onze aspiraties te verwezenlijken. Een tamelijke schrale en antropocentrische opvatting van organisaties, zonder al te veel speelruimte. Het vehikeldenken van Glaudemans is opmerkelijk bovendien, omdat zij stevige kritiek levert op de doel-middelenrationaliteit die de dienst zou uitmaken in de wereld van organisaties – precies de rationaliteit die ons uitnodigt om organisaties als vehikels te zien.

Glaudemans ziet gevestigde orde als een menselijke schepping waar we vervolgens z20150501_085633_HDRelf last van hebben. Die opvatting geeft moed omdat het ons aanzet tot reflectie en actie, tot het ontwikkelen van alternatieven. Systeemverstrikking is onvermijdelijk maar niet onoverkomelijk, noemt de auteur dat mooi. Jammer is dat Glaudemans het fenomeen gevestigde orde zelf, toch het focuspunt van haar onderzoek, nauwelijks aan kritische inspectie onderwerpt. Spelen andere factoren dan menselijke denkprocessen een rol in de totstandkoming ervan? Kan een orde zichzelf vestigen? En wat betekent het nou echt om verstrikt te zijn in een systeem? Ronduit teleurstellend is het dat Glaudemans op cruciale momenten de lezer probeert af te schepen met platitudes waar juist een fris perspectief in het vooruitzicht wordt gesteld. Stelligheden als “in het systeem zelf is geen troost te vinden” en dat “we regels verzinnen omdat ons iets tot last is” maakten het niet eenvoudig door te willen blijven lezen. Het zoekende, de humor, de speelsheid waartoe Glaudemans oproept – juist hier zou je er wat meer van willen hebben.

De grootste teleurstelling van Is er ruimte in de gevestigde orde? komt waarschijnlijk voort uit mijn eigen verwachting dat een kunstenares-buitenstaander mijn geliefde organisaties op een andere manier, in een nieuwe taal zou openen. Dat gebeurt maar in beperkte mate. De auteur toont zich in haar observaties, typeringen en overall taalgebruik een fan de Critical Management Studies school. Waar Marjorieke Glaudemans aangeeft zich liever te ‘verhouden met’ dan zich ‘te verhouden tot’ (voel de afstand in deze laatste manier van formuleren) mag management nooit echt dichtbij komen. “De ideologie achter managementmentaliteit, ofwel het managerialisme, is als er niet gemanaged wordt dat er dan chaos is en chaos wordt zonder discussie als onwenselijk gezien”. De onbarmhartige presentatie van de manager als bordkartonnen personage die maar niet snapt wat het verlichte smaldeel wel ziet – het is allemaal wel erg dik hout, met weinig openingen voor de zo begeerde ruimte in de orde. Precies de reden waarom ik gestopt ben Critical Management Studies conferenties te bezoeken. Kritiek werd zelf een gevestigde orde, met alle zelfgenoegzaamheid van dien.

Is er ruimte in de gevestigde orde? is geen doorwrocht wetenschappelijk epistel, en probeert dat ook niet te zijn. Niet echt. De overpeinzingen van Glaudemans kunnen in de woorden van Ruud Kaulingfreks beter worden begrepen als “broze evocaties”. Verwarrende paratekst, zo aan het begin van het boek. Want hoe dit verslag van twintig jaar veldonderzoek nu te lezen, hoe het te duiden?

Hoe treed je een boek tegemoet waar de (wetenschappelijke) voetnoten de hoofdtekst regelmatig van het papier drukken terwijl de auteur is aangeraden om “geen toevlucht te nemen tot argumenten”? De verwarring neemt alleen maar toe tijdens het lezen. De persoonlijke reflecties, de kleine observaties, de subtiele omdraaiingen van Glaudemans – ze willen maar niet bekoren. Wat is hier aan de hand? Vind ik ze gewoon niet zo goed, of te particulier om er iets mee te kunnen? Heb ik mezelf zo vastgezet in mijn kritiek op het wetenschappelijke deel van Glaudemans’ werk dat ik mijzelf niet meer kan openstellen voor het gesprek dat de auteur wil aangaan? En hoe ongemakkelijk is het wel niet om een boek te bespreken dat je aangeboden hebt gekregen door de auteur? Wat geeft mij het recht een tekst die twintig jaar heeft mogen rijpen te bejegenen zoals ik het nu bejegen? Moet mijn respons niet in verhouding staan, de evocaties niet langer door de mond laten gaan, wachten op de afdronk? En waarom ik lig ik wakker van deze vragen?

Tuin ik erin, wellicht, is dit precies waar het Glaudemans om te doen is? Heeft zij ruimte geschapen zoals je dat van een goede kunstenares mag verwachten, namelijk precies op de plek waar je hem niet verwacht? Of maak ik mezelf wat wijs, omdat ik de gulle gever niet voor het hoofd wil stoten? Verwarrend allemaal. Hulde voor Glaudemans.