Begeleidingskunde is niet het eerste domein dat zich aan je opdringt als je op zoek bent naar een overzichtelijk werkterrein, duidelijke doelgroepen of een helder en breed gedeeld begrippenapparaat. Als begeleidingskundigen dan ook nog eens in de weer gaan met “speelse werkvormen” is het natuurlijk een kwestie van tijd dat iemand opstaat en zich hardop afvraagt hoe effectief dat nu allemaal is. Iemand die in een ongecontroleerde “opmars” van spel in de begeleidingskunde het gevaar van “popularisatie en vulgarisatie” ontwaart, die oproept tot “kritische reflectie” en die pleit voor “een grondige verankering in theoretische concepten en praktisch empirisch onderzoek.”

IMG_20151116_215902Michiel de Ronde ontfermde zich over het onvermijdelijke en promoveerde dit jaar op Speelruimte voor ervaring en reflectie: een praktijkgericht onderzoek naar het gebruik van spel in begeleidingssituaties. Toegegeven, het was niet per se de missie van de auteur om de “begeleidingskundige inzet van spelmethodieken te funderen” die me naar de dichtstbijzijnde boekhandel heeft doen snellen; het waren de goede ontvangst van het proefschrift (predicaat ‘cum laude’) en een persoonlijke ontmoeting met de auteur die me over de streep trokken.

Kort en goed: Speelruimte voor ervaring en reflectie is heel aardig te pruimen. De Ronde heeft van zijn promotieonderzoek geen zurig orde-op-zaken project gemaakt maar toont zich een kritisch-betrokken insider die ‘zijn’ begeleidingskunde naar een hoger plan wil tillen.

De Ronde schrijft fijn en al snel wordt duidelijk dat de auteur er niet op uit is om al het leven uit spel te persen omwille van de wetenschappelijke beheersbaarheid. Subjectiviteit, fantasie en ongewisheid zijn onlosmakelijk verbonden met spel, meent De Ronde. Willen we spel snappen en uiteindelijk funderen, dan moeten we ook aan de slag met (in de ogen van de objectiverende wetenschappen vage) begrippen als zingeving en betekenisverlening. De Ronde maakt om die reden ruim baan voor de geesteswetenschappen en hij heeft er zichtbaar plezier in de spanningen tussen de verschillende wetenschapstradities op te zoeken en te adresseren.

De werking van spel geschiedt volgens Michiel de Ronde in de ontsluiting van wat Winnicott de “transitionele ruimte” noemt: “het overgangsgebied tussen binnen en buiten, subject en object, tussen persoon en ding, de mens en zijn wereld” (p21). Spel schept een tijdelijk ‘alsof’-universum, een schemerzone tussen echt en niet-echt. Het is precies hier, in het domein van de “niet-doelgerichte ernst” (Huizinga), waar het nieuwe kan worden geopend, geproefd en beproefd. En dat betaalt zich uit in echte leven, zo is de belofte van type spel waarin De Ronde is geïnteresseerd.

beerBijzonder aan spel is dat het niet alleen wordt gespeeld maar dat het zelf ook speelt en spelers aan het werk zet door ze te verleiden tot spelen. Elk spelen is een gespeeld-worden, concludeert De Ronde in navolging van Gadamer. Zodra we in het spel stappen geven we ons over haar onvoorspelbare dynamiek. Spel is daarmee nooit zomaar een uitdrukking van wat er al was. In spel ontstaat iets.

In Speelruimte voor ervaring en reflectie probeert De Ronde te achterhalen wat er zoal kan ontstaan in spel, wat de onderliggende “werkingsmechanismen” zijn en hoe begeleidingskundigen deze kunnen inzetten in hun coaching-, trainings- of adviespraktijk.

Die doelgroep heeft aardig wat te halen in dit boek. De Ronde hanteert een zeer ruimhartige definitie van spel – alles van de inzet van film tot spelsimulaties en van voice dialogue tot het gebruik van knuffels – en in de kernhoofdstukken van zijn proefschrift analyseert hij nauwgezet hoe in de door hem opgezette experimenten de verschillende spelvormen uitpakken.

De zeer gedetailleerde verslagen van wat zich precies heeft voltrokken in de spelsessies konden me in alle eerlijkheid maar matig bekoren. Dat overkomt me wel vaker bij dit deel van wetenschappelijke teksten, maar in juist in dit boek beeldde ik me dat ik er wel eens mee zou kunnen wegkomen als ik uitgerekend hier leestempo wat zou opvoeren. Immers, hoe kan een tekstverslag recht doen, ja zelfs maar in de buurt komen van een spelervaring? De uitvoerige beschrijvingen maken de experimenten in technische zin misschien wel “navolgbaar” (p328), maar de ervaring zelf is “per definitie eenmalig” (p338) en De Ronde noteert bij “inzicht 9.8” nota bene zelf dat de woorden die aan een beleving worden gegeven beter kunnen worden begrepen als “een aanraken” dan als “een formulering” van die ervaring: “Woorden kunnen ook afbreuk doen aan het inzicht dat ontstaat” (p315).

Dus.

Wat vooral bijblijft na het lezen van Speelruimte zijn de inleidingen op de spelvormen zelf en de verzamelde inzichten die De Ronde mooi bijeenbrengt in de laatste hoofdstukken. Zie voor een handig overzichtstabelletje (de auteur is er dol op) de foto.IMG_20151116_215826

Eén dingetje blijft knagen na het lezen van Speelruimte. Volgens De Ronde “kunnen we zeggen dat spel een manier is om dat wat vreemd en onbekend is, eigen en vertrouwd te maken. De speelruimte biedt bij uitstek een veilige exploratieruimte om dat wat onbekend, pijnlijk of bedreigend is, nader te verkennen.” (p.71). Geloof ik best, maar is het aardige van spel niet dat het zij ook precies het tegenovergestelde kan bewerkstelligen? Zodra we het eigene, het vertrouwde, het bekende aan het spel toevertrouwen (uitleveren, zo u wilt) is het game on en kunnen gestolde betekenissen weer vloeibaar worden. Wordt het niet pas echt spannend als we meer op het spel durven zetten?