Toen ik laatst in Venetië was kocht ik er nieuwe schoenen. Dat was niet de bedoeling. Ik was gekomen voor de kunst, niet om er dingen te kopen. Maar ik viel voor het glanzende zwarte leer, de ronding van de neus, de hoge wreef.

Terwijl ik ze paste vertelde ik de verkoopster over mijn oude schoenen die er nu wat verloren bij stonden. Ik had ze drieëntwintig jaar geleden gekocht, vlak nadat ik een maand in het ijskoude Moskou had gewoond en ik de helft van de tijd had doorgebracht met het in lange rijen wachten voor winkels waar altijd te weinig brood was. Eenmaal weer in Nederland fietste ik op de dag na kerst door de stad waar de uitverkoop in volle gang was en schold ik op het consumentisme. Totdat ik de schoenen zag staan die ik zojuist uitdeed om de nieuwe te passen. Het duurde destijds nog een paar dagen voordat ik ze kocht, want ik vocht met mijn geweten en ik beloofde mezelf dat ik ze tot de draad toe zou verslijten. Het werden mijn lievelingsschoenen, ik droeg ze op mijn werk, danste er eindeloos mee, liep er veel steden mee af, lapte ze  telkens op. Ik vond ze nog steeds mooi.

De verkoopster keek mij wat meewarig aan bij dit verhaal en zei dat zij nooit langer dan één jaar met haar schoenen deed en hoewel dat niet veel goeds beloofde voor mijn nieuwe aanschaf, hielp het mij wel om mijn geweten te verzachten bij mijn plan om, vanwege mijn beperkte bagageruimte, mijn oude schoenen dan toch eindelijk te dumpen – in Venetië. Maar op de ochtend van vertrek had ik het daar toch moeilijk mee. Want die schoenen betekenden veel voor me. Daarom zette ik ze op de foto. En toen ontdekte ik iets.

schoenen op bed 2Ergens midden in de pogingen die ik deed om mijn oude schoenen ‘er goed op te krijgen’ – ik plooide de beddensprei over een muurtje van kussens, wreef het schoenleer nog eens op, zette de ramen open voor het juiste licht – zag ik ineens hoezeer de beelden die ik schoot leken op het schilderij Een paar schoenen van Vincent van Gogh. Naar dit schilderij had Heidegger gekeken toen hij probeerde te ontdekken wat voor een ‘ding’ een kunstwerk eigenlijk is – en óf een kunstwerk eigenlijk wel een ‘ding’ is, want wij doen daar toch vaak heel etherisch over. Om een lang en moeilijk verhaal kort te maken: Heidegger boerenschoenenconcludeerde dat hoewel een kunstwerk niet zomaar een ding is – zoals een gebruiksvoorwerp – het dingachtige ervan (zoals de verf en het doek) wel wezenlijk is voor wat het kunstwerk is. Want het is wel de vérf waarin iets tot uitdrukking wordt gebracht – ontbergen noemt hij dat – terwijl wat dat ‘iets’ is daarin óók verborgen blijft of aan ontsnapt. En ergens in die mysterieuze verknoping huist precies de kwaliteit van een kunstwerk.

De herinnering aan Heideggers uitleg bracht me in een paar luttele seconden terug naar waar ik een kleine week geleden was, samen met een groep managers van de Haagse Hogeschool: bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, zeg maar het restauratieatelier van het Rijksmuseum. Ysbrand Hummelen, specialist conservering & restauratie, toonde ons daar een gravure uit ca. 1593 van Philips Galle, waarop te zien is hoe in de werkplaats van een kunstenaar verf als een gradanus color oliviambachtelijk gemaakt ding (het tot poeder stampen van kleurstoffen en de vermenging met lijm door verschillende werklieden en leerlingen) een cruciaal onderdeel vormde van het (kunst)werk. En hij vertelde hoe het proces van ‘delegatie’ van dat ‘verfwerk’ naar verf in tubes – lós van de context van het maakwerk ervan verkrijgbaar – het kunstwerk van iets fundamenteels had ontdaan, namelijk de ervaring dat het maken ervan een gezamenlijk en ook materieel proces is.

Om van hier de stap te maken naar het werk in organisaties was voor mij niet moeilijk en enorm inspirerend – hoewel ook wat deprimerend: want ik besefte eens te meer hoe zo’n ontwikkeling als in de kunst ook in ons ‘gewone werk’ gaande is. De afstand die wij hebben gecreëerd tussen de beleidsmakers en degenen die met hun voeten in de modder (materie) staan is vaak zo groot dat wat er uiteindelijk geproduceerd (!) wordt vaak voelt als een abstractie van de werkelijkheid. En daar hebben beide ‘partijen’ last van: zo moeten beleidsmakers, bestuurders, managers enorm hun best doen om voeling te houden met de dingen van de praktijk en omgekeerd ervaren veel mensen op de ‘werkvloer’ dat zij vooral uitvoerders zijn van wat anderen, die de werksituatie niet kennen, voor hen hebben bedacht. In mijn eigen onderzoek, waarin ik ervaringen uit de kunst verbind met ervaringen in ‘gewoon werk’, heb ik ontdekt dat het enorm helpt om samen iets te maken. Dat wil zeggen: de tastbaarheid van de dingen op te zoeken, echt iets onder handen te nemen, onvervalst te handelen. In één van mijn Werkplaatsen liet ik eens een gezelschap van professionals tot en met bestuurders hun organogram letterlijk verknippen en maakten ze er al plakkend en pratend een nieuw plaatje van. In een ander nodigde ik een net zo gemengde groep werkers uit om van alle dingen die ze bij zich hadden (van tasinhoud tot meubilair) samen een plastiek te maken van hun vraagstuk. Of hielp ik ze een visie te maken in de vorm van een gedicht. Waar het telkens om ging was om samen de materie in te gaan in plaats van alleen maar over de dingen te praten. Dingen aanraken – en woorden zijn soms ook dingen – (door)vóelen wat er aan de hand is, spelen met het materiaal, doet wonderen. Samen iets maken legt een ander ervaringsveld open.

Ysbrand Hummelen refereerde ook aan die ervaring toen hij ons rondleidde langs de restauratieateliers waar de allerkleinste schilfertjes verf onder de microscoop ineens een heel leven van het werk en zijn maker lieten zien, waar handgeschreven logboekjes de lichamelijkheid van de onderzoekers toonden, waar in tastbare verzamelingen van soorten plastic de liefde voor het vak voelbaar was. Ik stond een tijdje bij de kast waarin heel veel schilfertjes van het werk van Rembrandt (en zijn medewerkers!) opgeslagen lagen. Ik legde er mijn hand op. Dichterbij kon ik bijna niet komen. Het waren dezelfde handen die een week later mijn schoenen maar niet konden loslaten.

schoenen in raamOp de ochtend van vertrek zette ik die schoenen in de vensterbank van mijn hotelkamer. Ik zat er, vanaf de rand van mijn bed, een tijdje naar te kijken om er afscheid van te kunnen nemen. Ik zag toen, dat tegen de achtergrond van deze oude stad mijn schoenen helemaal niet meer zo oud leken. Ineens viel er een nieuw licht op mijn schoenen. Toen begreep ik dat ik ze echt niet kon achterlaten. Ik was vergroeid geraakt met die dingen.