12714253651917Iets meer dan tien jaar geleden heb ik het boek Wielrennen (2005) gelezen van Marc van den Bossche. Hierin beschrijft hij de onlosmakelijke verbondenheid van zijn twee passies: filosofie en wielrennen. Nu ik over sport en organisaties schrijf, wil ik een ode uitbrengen aan dit boek. Het heeft me geïnspireerd om te blijven sporten. Maar vooral is dit een pleidooi om sport niet los te zien van arbeid. ‘Hij dacht per vélo’, aldus Van den Bossche over zichzelf.

Om tot het besef te komen dat het lichaam niet verwaarloosd mag worden had van den Bossche een auto-ongeluk gevolgd door een coma nodig . Tot die tijd was hij een hard werkende journalist die twee pakjes sigaretten per dag rookte. Hij leidde een leven waarbij het lichaam veelal werd verwaarloosd. Tot hij besloot zijn leven radicaal te veranderen en intensief te gaan wielrennen. Zijn depressies bestreed hij met sport.

Denken met het lichaam

Van den Bossche’s denken is geïnspireerd door de Duiste filosoof Martin Heidegger. Volgens Heidegger is de filosofie sinds Plato op het verkeerde spoor en bij René Descartes volledig de draad kwijt. Heidegger meent dat de filosofische traditie teveel uitgaat van fragmentatie. Het ‘zijn’ is versplinterd. Bij Descartes viert deze versplintering hoogtij. Via een deductieve methode – waarbij het specifieke wordt afgeleid uit algemene wetten – komt hij tot een scheiding tussen lichaam en geest. Descartes stelt dat lichaam en geest losse entiteiten zijn. Ook vandaag de dag herkennen wij dit. Overdag gebruiken we ons geest op kantoor om na te denken en in de avond gebruiken we het lichaam in de sportschool.

Heidegger stelt dat wij het lichaam nodig hebben om te denken. Het is als het ware denken met het lichaam. Hij komt met de term ‘bevindelijkheid’ in zijn boek Sein und Zeit. We moeten ‘er’ zijn. ‘Er’ zijn is veel meer dan in de ruimtelijke zin van het woord. Het is tevens een gemoedstoestand. Zo trekt Heidegger zich regelmatig terug in de natuur omdat daar zijn het denkproces verbetert. Bevindelijkheid gaat vooraf aan het denkproces.

Bij Marc van den Bossche speelt het lichaam ook een belangrijke rol, maar in actievere vorm. Van den Bossche heeft de duursport nodig om beter te kunnen denken. Door fanatiek te wielrennen maakt zijn lichaam stofjes aan zoals endorfine en adrenaline, waardoor hij scherper wordt. Scherper in zijn waarneming maar ook in zijn denken. Over deze bevindelijkheid heeft Heidegger het ook. Het lichaam kan in deze zin niet losgezien worden van de gemoedstoestand en daarmee de geest. Hetgeen je met het lichaam doet bepaalt voor een groot deel de gemoedstoestand en dus het denken. Het denken verplaatst zich hiermee van achter de computer naar op de fiets en achter de computer.

Deze inzichten zijn echter nog niet doorgedrongen tot hoe wij ons werk en denken organiseren. Veelal worden vitaliteitsprogramma’s nog altijd opgezet als een los onderdeel van arbeid. In de avonduren kun je je sport beoefenen en deze vervolgens declareren bij je werkgever. Lichaam en geest worden nog als losse entiteiten gezien die op verschillende momenten moeten worden gestimuleerd. Er zijn nog te weinig organisaties die voldoende aandacht besteden aan de bevindelijkheid van de werknemers. Op welke manier kunnen we arbeid zodanig organiseren dat de gemoedstoestand en de denkprocessen van de werknemers verbeterd worden? Over deze vraag zou de organisatiewetenschappen zich eens moeten buigen.