alles kan.

4:44

Ik kan niet meer slapen

De woorden die door mijn gedachten gaan:

“alles kan,

invloed van taal op hoe we met elkaar omgaan,

samenwerken,

verbinden,

systematische taal van organisaties,

of is het institutionele taalgebruik?

Instituut, organisaties, systemen.”

Nu kan ik écht niet meer slapen.

Oh ik heb het. Nog een laatste blog.

Laptop open.

In 2021 toen ik lid werd van het lectoraat, schreef ik het volgende voor mijn bio.

“Ik ben bij de kenniskring aangesloten om te onderzoeken in hoeverre sollicitanten waarvan Nederlands hun tweede of derde taal in het sollicitatieproces worden ‘afgerekend’ op hun taalgebruik. Als HRM’er bereiken mij signalen dat bijvoorbeeld taalfouten in een sollicitatiebrief worden uitgelegd als ‘kandidaat is slordig’, ‘kandidaat heeft niet de moeite genomen om …’ of zelfs ‘kandidaat heeft niet het gewenste niveau’. Ik wil onderzoeken of die geluiden kloppen. In eerste instantie richt ik mij daarbij op recruiters: hoe gaan zij om met sollicitanten voor wie het Nederlands niet de eerste taal is? Op basis van dat onderzoek wil ik vervolgens kijken of we binnen de opleiding HRM ‘iets’ moeten doen rond het fenomeen taalbeheersing. Juist onze opleiding – veel van onze studenten komen te werken in werving & selectie – kan een belangrijke rol spelen in het leren spotten van talenten en kwaliteiten die losstaan van taalbeheersing.”

Volgens mij had ik een duidelijke onderzoeksvraag en kon ik aan de slag alsof ik een scriptie schreef. Plan van aanpak opstellen. Uitvoeren. Inleveren. Check. Probleem numero uno: ik had nu geen inleverdatum dus ja, ik kon dit onderzoekproces in één jaar afronden of in vijf. Nu, eind 2024, kan ik zeggen dat ik nog steeds geen antwoord heb op mijn oorspronkelijke onderzoeksvraag. Sterker nog, mijn onderzoeksvraag is niet eens meer mijn onderzoeksvraag.

In de afgelopen jaren heb ik veel ontdekt. Over mezelf, zowel als persoon als onderzoeker, maar ook over het organisatiesysteem[1] waarin ik me bevind. Om te beginnen ging ik door een proces van ‘research the researcher’. Want ja, als onderzoeker moet je (volgens mij) aan enkele richtlijnen voldoen. Je moet onder andere secuur kunnen werken, weten waarover je het hebt en je boodschap op de juiste manier overbrengen – in de juiste taal, wetenschappelijk onderbouwd en objectief. Dat maakt je boodschap geloofwaardig.

Problema numero dos: ik leek mezelf te verliezen in de zee van geloofwaardigheid. Voor context… ik ben niet opgegroeid in een huis met hoogopgeleide ouders, dus de formele taal die wordt gebruikt in het organisatiesysteem en wetenschappelijke wereld was niet iets wat ik van jongs af aan heb meegekregen. Het voelt (nog steeds) als een vreemde taal die ik me probeer eigen te maken, omdat ik anders niet als een geloofwaardige en objectieve onderzoeker geaccepteerd word. Tegelijkertijd ben ik me ervan bewust dat ik in HET systeem alleen kan overleven door de institutionele taalgebruik mijn eigen te maken. Als gevolg voelde ik me niet meer authentiek. Je kent het hè? Imposter syndrome. Ik realiseer me dat ik in het systeem ‘afgerekend’ kan worden op mijn taalbeheersing. Tegelijkertijd reken ik mezelf voortdurend af, door de constante worsteling tussen het willen overnemen van die vreemde (institutionele) taal alsof het mijn moedertaal is en het willen vasthouden aan mezelf, waar ik vandaan ben gekomen en mijn echte moedertaal[2].

Dus ja, straks heb je iemand zoals ik die door de sollicitatieproces heen komt. Wiens talenten wel door de recruiter zijn herkent. Maar dan komt er nog zoveel meer bij kijken. Welke taal heb je dan nodig om te kunnen overleven? Dat gaat natuurlijk verder dan het juiste lidwoord gebruiken. Deze realisatie gaf me het gevoel dat mijn oorspronkelijke onderzoeksvraag niet echt dekkend is voor wat ik werkelijk wil ontdekken. Maar een onderzoeksvraag mag ook niet te groot zijn. Hij moet concreet. Behapbaar. Dus om het behapbaar te houden ging ik verder met die recruiters aan de slag.

Problema numero tres: irritatie. Blijkbaar moet je in een organisatiesysteem vooral zeggen wat het politiek correcte antwoord is, of wat je denkt dat de ander wil horen. Althans, dat is mijn perceptie. Want for the life of me hoe ik ook probeerde, ik kreeg nauwelijks oprechte antwoorden van de meeste mensen die ik interviewde. Ze waren vooral bezig me te overtuigen dat zij anders zijn: zij discrimineren niet, zij vinden dat fouten menselijk zijn en wijzen niemand af vanwege een typefoutje, enzovoorts. En misschien was mijn onderzoeksvraag, vooral voor de recruiters die ik in de spotlight zette, gewoon te confronterend. Ik begrijp ook wel dat je in het organisatiesysteem vooral het juiste plaatje moet laten zien, want dan word je beloond. Dus je bespreekt niet zomaar wat je níet goed doet – zeker niet met een onderzoeker van wie je niet weet of die echt objectief is en anonimiteit kan garanderen.

Begrijp me niet verkeerd, ik weet dat het niet alleen aan mijn gesprekspartners lag. Het is simpelweg hoe we geprogrammeerd zijn om in het systeem te overleven. Maar mijn irritatie kwam vooral voort uit het feit dat ik geen echte verbinding kon maken met de ander, waardoor ik niet tot de kern kwam. En ik denk dat dat deels kwam doordat ik zelf niet altijd wist hoe ik de politiek correcte omweg moest nemen. Een omweg om een andere soort vraag te stellen dan wat ik eigenlijk wilde weten, zodat de ander zich comfortabel zou voelen en me wellicht wél eerlijke antwoorden zou geven. Mja, mijn moedertaal is ‘niet omheen draaien’. Vloeiend de taal van politieke omwegen spreken kost mij te veel tijd en energie. En eerlijk? Ik weet niet eens of ik dat wel wil leren. Er moet toch ruimte zijn om zonder trucjes met elkaar te verbinden – in alle openheid en eerlijkheid?

Mas problemas. Numero cuatro: en misschien zie je het al aankomen. Uiteindelijk gaat het mij niet om de formele taalfouten tijdens schrijven en spreken. Mijn onderzoeksvraag schuilt in de hoek van institutioneel taalgebruik. Bijvoorbeeld: hoe beter ik de politiek correcte taal beheers, hoe meer kans ik maak om door te groeien in een organisatie. Hoe elitairder mijn woordenschat, des te minder ik hoef te doen om mezelf te bewijzen. De realisatie van waar mijn onderzoeksvraag écht lag, heeft tijd gekost. Soms voelt het alsof ik tijd heb verspild, alsof ik niets heb opgeleverd. Toch zie ik deze realisatie als iets moois. Ik weet zeker dat als ik was doorgegaan met mijn focus op recruitmentpraktijken en lidwoorden, ik een vorm van een eindproduct zou hebben om te laten zien – iets tastbaars en concreets. Maar ik weet ook zeker dat ik niet tevreden zou zijn geweest met dat eindproduct, omdat het niet mijn werkelijke vraag zou beantwoorden. Nu weet ik tenminste wat ik écht wil onderzoeken.

Tijdens mijn zoektocht kijk ik terug op prachtige gesprekken met professionals, docenten en studenten. Ook op mooie werksessies met studenten, gericht op werving en selectie en verder kijken dan alleen taalgebruik. Ondanks alles weet ik in mijn hart dat ik mezelf als onderzoeker heb ontdekt. En, misschien wel belangrijker, ik weet nu welke onderzoeksvraag mijn hart echt sneller laat kloppen.

En nu ik echt weet wat ik wil gaan onderzoeken, presenteer ik je problema numero cinco: ik ga De Haagse verlaten en dus ook het lectoraat. Dus denk ik, dit is het einde van mijn onderzoek. Wat ook niet echt is begonnen. Want ja, je moet toch bij het lectoraat zitten om onderzoektijd te krijgen, zodat je onderzoek kunt doen? Toch werd ik vanochtend wakker met de woorden: ‘alles kan’.

Natuurlijk is het fijn om echt tijd te hebben voor onderzoek, maar dat is niet de enige manier. Ik weet niet wat de toekomst brengt, maar ik weet wel dat, ongeacht in welk systeem ik me bevind, ik een manier zal vinden om op zoek te gaan naar een antwoord op mijn onderzoeksvraag. Want ik geloof dat er in organisaties genoeg mensen zoals ik rondlopen die een taal die niet hun eigen is, eigen proberen te maken. Puur om in het systeem te kunnen overleven.

Mensen zoals ik, die alles doen om met collega’s samen te werken en te verbinden, zonder zichzelf te verliezen. Mensen zoals ik, die soms over het hoofd worden gezien omdat ze niet mee kunnen doen aan politieke spelletjes. En daarbij stel ik de vraag: moeten mensen zoals ik zich blijven aanpassen en veranderen? Of moeten we met z’n allen eens kritisch kijken naar het institutionele taalgebruik dat in stand wordt gehouden en ons afvragen of dat niet aan verandering toe is?

Volgens Tim ‘S Jongers in Armoede uitgelegd aan mensen met geld denken welvarende en hoger opgeleiden vaak dat armoede het resultaat is van ‘slechte keuzes’, zonder te kijken naar de structurele en culturele factoren die armoede in stand houden. Dat raakt aan mijn eigen ervaring in het organisatiesysteem en de constante strijd om mezelf staande te houden in een systeem dat geen rekening houdt met de diversiteit aan achtergronden. Het is niet alleen een kwestie van taalfouten of politieke correctheid, het gaat veel dieper: hoe kunnen we verbinden en samenwerken als we niet dezelfde taal spreken? Hoe kunnen we écht communiceren als de systemen die ons omarmen vaak zo gesloten zijn en we als buitenstaander moeten vechten om gezien te worden? Misschien moeten we, zoals Jongers suggereert, het systeem zelf ter discussie stellen.

Ik visualiseer een oneindige open veld. Ik kijk naar de toekomst en besef dat ik alle kanten op kan gaan. Dat alles kan gebeuren. En in dat open ruimte weet ik dat ik op een ander manier het systeem ter discussie ga stellen en dat ik antwoord zal krijgen op de vraag: In hoeverre versterkt of doorbreekt institutioneel taalgebruik de sociale en professionele ongelijkheid binnen organisaties en welke rol speelt dit in de perceptie en beoordeling van talenten?

Mijn ontdekkingsreis naar wie ik ben als onderzoeker en mijn echte onderzoeksvraag had ik niet kunnen volhouden zonder de begeleiding en bemoediging van mijn lector, Jacco van Uden. Dank. Ik wens iedereen zoals ik, een Jacco op hun pad. Ook ben ik dankbaar voor alle kenniskringleden voor hun ondersteuning, kritische vragen en bemoedigende woorden.


[1] Afhankelijk van de context gebruik ik organisatiesystemen, instituties of institutionele systemen. Hiermee bedoel ik (1) de organisatie zelf – het instituut, (2) de manier waarop systemen in organisaties zijn opgebouwd of (3) structuren binnen organisaties.

[2] Met moedertaal hier bedoel ik niet Papiamento, maar ik bedoel mijn manier van zelfexpressie, een woordenschat met weinig dure woorden. Maar ook een taal van ongeschreven regels die niet altijd bewust is van wat wel/ niet gebruikelijk is in een organisatiesysteem (of het wetenschappelijke wereld).

2 Comment on “alles kan.

  1. Maud's avatar
  2. Gi's avatar

Geef een reactie op Maud Reactie annuleren