Augustus 2015 heb ik bij NWO een aanvraag voor promotieonderzoek ingediend (zie elders op deze site). De laatste selectieronde is bereikt: 20 januari jongstleden mocht ik ‘op interview’ samen met nog 55 overgebleven kandidaten, afkomstig uit alle mogelijke wetenschapsgebieden. Naar verwachting wijzen de twee selectiecommissies (hun samenstelling is van groot belang) aan maximaal de helft van deze groep een beurs toe. Het interview verliep zeer geanimeerd – helaas geen criterium in de selectieprocedure. Eind februari volgt de uitslag. Met dankzegging aan alle mensen op HHS en daarbuiten die mij geweldig hebben geholpen in de voorbereiding  – en naar wie ik zeer waarschijnlijk NIET voldoende heb geluisterd – volgt hier het begin van de presentatie die ik daar heb gegeven, voorafgaand aan het interview.

voorblad PP NWO

“Goedemorgen. Het is niet anders: uitingen van disrespect voor anderen vormen een onlosmakelijk onderdeel van het openbare leven in een liberale democratie.

Ik ben docent en ontwikkelaar in de beroepsethiek; de afgelopen jaren heb ik gezocht naar morele vocabulaires die onze studenten in staat stellen om veel bewuster met dat sociale feit om te gaan. In de eerste plaats in hun rol van burgers, maar net zo goed in hun rol van publieke professionals. Want elke HBOer zal haar of zijn beroep midden in dat soms zo rumoerige publieke domein moeten kunnen uitoefenen.

De oude slogan ‘fatsoen moet je doen’ biedt hiervoor onvoldoende houvast. Een tweede slogan die ik veel in het onderwijs tegenkom beweert dat je disrespect persoonlijk moet vermijden maar dat de staat het moet bestrijden. Ook die slogan biedt te weinig hulp. Ze is bovendien incorrect, want zoveel bestrijdingsmiddelen biedt ons strafrecht niet. Eerder is het (omgekeerd) zo dat de stabiliteit van onze gehele liberale rechtsorde berust op een alledaagse aanwezigheid van voldoende weerbaarheid onder burgers zelf.

Er blijkt echter een enorme begripsverlegenheid te bestaan rond dat thema van weerbaarheid tegenover publiek disrespect: in het onderwijs, in de wetenschap, maar ook in de praktijk van alle dag. Misschien heeft u vanochtend zelf wel in de trein gezeten naast zo’n luidruchtige mobiele beller die volstrekt abjecte taal uitsloeg over z’n ex-vriendinnen – of misschien had hij het over alle vrouwen. Of ging het dit keer over moslims? Over homo’s? We kennen allemaal wel het soort ongemak dat dan ontstaat in een treincoupe. U bent zelf een fatsoenlijk mens, natuurlijk! Maar moet U nu reageren op het gebrek aan fatsoen van die hufterige ander met wie u ongwild een publieke ruimte moet delen? Zo ja, waarom dan? Op grond van welke titel? En met welk doel?

Met dit soort vragen in het achterhoofd heb ik de afgelopen jaren literatuuronderzoek gedaan naar zogenaamd corrosive disrespect in de publieke cultuur. Dat deed ik op alle terreinen van de praktische wijsbegeerte en een deel van de sociale psychologie. Op basis van dat onderzoek heb ik een ethische theorie ontwikkeld over staatsburgerlijke veerkracht. Vandaag vraag ik U tijd waarin ik mijn theorie sociaalwetenschappelijk testen-, waar nodig verfijnen-, en tenslotte als dissertatie publiceren kan.

Hebben we voor burgerfatsoen een filosoof nodig, vraagt u zich misschien af? Tsja. Filosofen maken de wereld niet gegarandeerd fatsoenlijker – en qua taal maken ze hem ook niet meteen eenvoudiger. Maar we kunnen wel met analytische denkmiddelen een einde te maken aan de verlammende begripsverlegenheid die nu in het publieke domein bestaat over ondermijnend disrespect.

inhoudsopgave NWOIn deze presentatie wil ik twee dingen doen: Ten eerste aan de hand van wat voorbeelden toelichten hoe mijn ethische theorie eruit ziet en hoe ik hem wil gaan testen. Want op dat testen ligt de focus van deze aanvraag.

Ten tweede zal ik toelichten dat de overige zaken die ik in mijn aanvraag beschrijf, met name de ontwikkeling van nieuw onderwijs en overige valorisatie, geheel buiten NWO-tijd gerealiseerd zullen worden.

Dat is mogelijk geworden door recente externe interesse in mijn onderzoek – waar ik vanzelfsprekend zeer verheugd over ben! Verdere details over hoe mijn werkweek er precies uit gaat zien vindt u in mijn werkplan op de laatste pagina van de handouts.

Voor mijn tweede en zeer actuele voorbeeld van begripsverlegenheid omtrent de weerbaarheid van burgers, geef ik nu het woord aan mijn burgemeester.

vdLaan

 

fragment interview (45 sec.)

Klik op link geluidsfragment: Van der Laan geeft antwoord op de vraag van een journalist of ‘Keulen ook in Amsterdam zou kunnen gebeuren’

 

 

 

Deze uitspraak heeft nogal wat onbegrip en negatieve reacties opgeleverd, zelfs binnen de eigen politieke partij van Van der Laan. Ik kies voor twee positief gerichte opmerkingen.

Allereerst is deze burgemeester zelf een geweldig voorbeeld van een veerkrachtige publieke professional; iemand die wijs en moedig tegelijk intervenieert in het publieke debat, in anticipatie op het symbolisch publiek geweld dat de publieke cultuur bedreigt, ook in zijn eigen stad. Meer in het bijzonder anticipeerde hij op het ophitsende gebral in de trant van: ‘Zie je wel dat al die vluchtelingen verkrachters zijn?’. Zijn interventie is bovendien onorthodox qua vorm: nog net-niet paternalistisch, nog net binnen de bevoegdheden die de liberale democratie aan het burgemeestersambt geeft.

Tweede opmerking: ik deel van der Laan’s gedurfde inschatting over de veerkracht van de Amsterdammers. Ik begrijp kennelijk wel intuïtief waar hij op doelt – maar de analytische finesse ontbreekt nog volledig. Want ik beken het maar meteen: ikzelf ben als Amsterdammer niet ‘liever’ en minder ‘regels stellend ’ dan de gemiddelde Keulenaar.  Maar toch: stelt u zich de Amsterdamse Nieuwmarkt voor, aan het begin van Oudejaarsavond 2015 zo tussen 7 en 9 uur, met daarop aanwezig een kwantitatief verglijkbare mix van feestvierders en mensen met nog heel andere bedoelingen. Dan zegt mijn intuïtie dat er een andere communicatie tussen deelnemers op dat plein zou zijn ontstaan, een interactie die effectieve tegenkrachten zou genereren die verdere escalatie van symbolisch naar fysiek geweld mogelijk had kunnen verhinderen. Maar hoe zou een sociale wetenschapper die intuïtie van mij en mijn burgemeester überhaupt kunnen onderzoeken? In elk geval niet door een enquête in beide steden af te nemen over ‘lief zijn’ en ‘grenzen stellen’ …

Hebdo

Een derde voorbeeld van begripsverlegenheid trof ik een jaar geleden aan op mijn eigen Haagse Hogeschool, tijdens de debatten met collega’s en onze bestuursvoorzitter naar aanleiding van de aanslagen bij Charlie Hebdo.  Deze poster geeft in sterk versimpelde vorm een opvatting weer die ik daar toen veel hoorde. Maar ook op dit (razend ingewikkelde) thema geldt: respect is niet hetzelfde als lief zijn, en niet elke belediging is een vorm van haten.

Hoe komen we dan tot een beter moreel vocabulaire, met behulp waarvan we EN het sociaalwetenschappelijk onderzoek EN de praktische beroepsvorming kunnen versterken rond het weerstaan van ondermijnend disrespect? Ik kom bij mijn werkdefinitie.

Weerbaarheid refereert etymologisch gezien aan de ‘Were’, de verdedigingswal om de stad; weerbare mannen en vrouwen boden van daaraf weerstand tegenover het fysiek geweld dat van buiten kwam en dat het collectief bedreigde.

Ik reserveer veerkracht voor het weerstand bieden tegenover symbolische expressies van niet-fysiek geweld, met name uitingen van disrespect. Deze kunnen verbaal en non-verbaal zijn, ze kunnen van binnen uit komen, maar vooral: ze kunnen evenzeer het collectief bedreigen.

Bij staatsburgerlijke veerkracht omschrijf ik dat bedreigde collectief sociaal- en moraal-psychologisch, en wel in termen van de mogelijkheid tot gedeelde identificatie met de gelijke grondwettelijke staatsburgerstatus. EN de ondermijning EN de afwerende reactie zijn hierbij gesitueerd binnen de concrete context van een liberaal-democratische jurisdictie.

Die dagelijkse institutionele-cum-culturele juridische context acht ik van groot belang voor ons morele binnenleven. Toch wordt ze vaak vergeten bij de morele vorming. Bijvoorbeeld in de debatten die we nu voeren in mijn hogeschool over het vormgeven van ‘Wereldburgerschap’ (probeert u zich eens wat normen van ‘wereldburgerlijke veerkracht’ voor te stellen…ikzelf heb daarbij geen enkel beeld, laat staan een idee over hoe mijn onderwijs daaraan zou kunnen bijdragen.)

minderminder

 

Een berucht voorbeeld van ondermijnend disrespect vormt de ‘minder-minder’ uitspraak van dhr. Wilders. Gedragsmatig hebben we twee soorten veerkrachtige reacties van staatsburgers kunnen waarnemen op die uitspraak: namelijk het aangifte doen bij de politie en het posten van selfies met je Nederlands paspoort op Facebook. De vraag is dan: wat is de diepere overeenkomst tussen die twee? Beide typen gedragingen reageren immers op dezelfde bedreiging.

Om staatsburgerlijke veerkracht beter te kunnen onderzoeken heb ik het analyseniveau dan ook verschoven van uiterlijke gedragingen naar zogenaamde ‘morele reactieve attitudes’ (dit begrip werd oorspronkelijk ontwikkeld door de filosoof Peter Strawson; het is sindsdien in veel praktisch wijsgerig onderzoek toegepast en ook verder doorontwikkeld). Dit begrip vindt u terug in de probleemstelling  van mijn totale onderzoeksprogramma.

NWO_interview_20_01_2016def

De eerste bullit  betreft de moraalpsychologische conceptualisering van ‘staatsburgerlijke veerkracht’; dit deel is inmiddels afgerond en de resultaten van dat werk zijn ook al deels gepubliceerd. In de nu volgende onderzoeksfase zal deze theorie sociaalwetenschappelijk worden getest en waar nodig worden bijgesteld, zie de tweede en derde bullit.

Deze probleemstelling heb ik nader gespecificeerd en geoperationaliseerd in zeven deelvragen.

onderzoeksvragen

Vragen 1 t/m 4 (in groen) zijn inmiddels beantwoord. Dat wil zeggen: het moeizame analyseren en ontwerpen is gedaan en het ethisch-theoretisch kader staat er nu, klaar om getest te worden!

Vragen 5 en 6 (in geel) zijn daarop gefocussed; vooralsnog gaan die tests gaan worden uitgevoerd met behulp van deels al afgebakende sociaalwetenschappelijke literatuur: die heeft betrekking op aannames over weerbaarheid van burgers in twee deelvelden van respectievelijk recht (hatespeech-wetgeving) en beleid (rond de zogeheten participatiesamenleving). Met betrekking tot deze beide velden is er al het nodige gepubliceerd over de soms conflicterende aannames over weerbaarheid van burgers, een deel van die literatuur vond u in mijn aanvraag vermeld. Maar qua ethische valuatie over die aannames is er nog werk te doen; ik ga onderzoeken wat mijn ontwerp daaraan bijdragen kan. Tenslotte wil ik voor dat uittesten naast sociaalwetenschappelijke studies ook actuele casuistiek gebruiken; deze is afkomstig uit de beroepspraktijk van de politie en van andere publieke professionals. Het besluit over de definitieve afbakening van het testmateriaal valt binnen een jaar na start van dit project.

Vraag 7 tenslotte (in grijs) is de meest praktische vraag voor mijn onderwijs. Ze heeft een andere kleur omdat deze vraag zal worden beantwoord geheel buiten de tijd die aanvankelijk was aangevraagd voor dit onderzoek. Over de gelukkige redenen daarvoor kom ik straks nog kort te spreken, maar nu eerst naar mijn ethisch-theoretisch kader…..”

Tot zover. Wil je meer weten over het NWO interview of over mijn onderzoek? Wil je daaraan bijdragen? Of wil je breder meedenken over nieuw onderwijs in veerkracht, bijvoorbeeld  in het kader van een professionele leergemeenschap rond het thema Wereldburgerschap? Post dan hier jouw reactie op deze blog, of email me op ptmvdberg@hhs.nl.