Bas Heijne verwoordde de pijn weer eens raak: “ Als iedereen aan de goede kant staat, hoe heeft het dan zo fout kunnen gaan?”. Het ging uiteraard om het vermaledijde rendementsdenken. Niemand durft er nog (openlijk) steun aan te betuigen maar we zitten er wel mee opgescheept.

In een recente publicatie van de WRR wordt fraai beschreven hoe de cultuursector vol in het mes van de toegevoegde waarde is gelopen. Lange tijd werd cultuur als een eigenstandige praktijk gezien en in nota’s over cultuurbeleid werd dan ook niet of nauwelijks gerefereerd aan de economische of maatschappelijke impact van kunst en cultuur.

Het ging mis toen kunst ruimer werd opgevat en ook populaire cultuuruitingen (lees: entertainment) in het plaatje werden meegenomen. Zie je nou wel dat je geld kunt verdienen met kunst? Daar is de “esthetisering van de economie” bovenop gekomen: kernelementen uit het artistieke domein (creativiteit, vormgeving, zintuigelijke ervaringen) worden steeds vaker gezien als aanjagers van economische innovatie.

Conclusie: “door het samenspel van deze ontwikkelingen wordt ‘cultuur’ in toenemende mate als een bron van economische dynamiek gezien”(p.21). Klinkt leuk, maar het bleek funest voor de waardering van kunst als kunst. Kunst gaat al lang niet meer alleen over “verbeelding”, maar staat steeds nadrukkelijker in dienst van “verspreiding” (maatschappelijke impact) en “verdienen” (handel). Tuurlijk, kunst om de kunst is in een beschaafd land best belangrijk, maar dat is “niet (meer) voldoende om het hele cultuurbeleid en alle bestedingen van publieke middelen te legitimeren”.

En dus moet de kunst haar maatschappelijke en economisch impact kunnen aantonen. Punt is: dat wil maar niet lukken. Het bewijs van een positief effect van kunst en cultuur op zaken als burgerparticipatie of concurrentiekracht is niet zelden boterzacht. Indirect, wollig, anekdotisch, suggestief.

Een deel van de cultuursector gaat mee in de meten-is-weten retoriek en ziet het als haar missie om met steeds geavanceerdere modellen de business case van kunst en cultuur rond te krijgen. De auteurs van het WRR-rapport verwachten hier zelf niet al te veel van en stellen voor om eventuele positieve maatschappelijke of economische effecten van kunst en cultuur als mooi “meegenomen” (p.42) te beschouwen.

Ik zou een derde strategie willen inbrengen: de tegenaanval. Als je kunst mag beoordelen op performance indicators die niet de hare zijn – rendement, concurrentiepositie, innovatievermogen – waarom zou je de economie dan niet langs artistieke criteria mogen leggen? Wat is de schoonheid van ons belastingstelsel? Wanneer heeft een handelsmissie ons voor het laatst ontroerd? Welke troost biedt 2,3 procent meer export?

De stilte die dan zo maar eens zou kunnen vallen, biedt misschien een opening om eens een ander soort gesprek te hebben.