In deze langgerekte beschouwing vraag ik me af hoe we voor onszelf op meer en minder zinvolle wijze een voorstelling van “de taal” zouden kunnen maken. Een helder beeld van taal in het algemeen – een treffende metafoor – zou van pas kunnen komen om, binnen een specifieke bestaande gemeenschap of organisatie, een licht te schijnen op de aard van die gemeenschap zelf. Wat wederom nuttig kan zijn voor als we iets van het denken van die gemeenschap willen aanspreken. Maar… ook los van nut en belang heeft het z’n eigen recht van bestaan…

// We gebruiken het woord “taal” met eenzelfde gemak als waarmee we woorden als “politiek”, “natuur”, “tijd”, “zorg, “kwaliteit” of “leven” gebruiken.

// En toch, als we doorvragen lijken we maar nauwelijks te weten wat we precies bedoelen met dat woord: taal (net als met de andere bovengenoemde woorden overigens), laat staan dat we weten hoe taal werkt, waar taal uit bestaat, kortom: wat taal is.

// De kritische lezer zal zich wel afvragen welke taal we precies voor ogen hebben: gaat het over de Nederlandse taal of over een andere, over spreektaal of over schrijftaal, straattaal, academische taal, logica, poëzie, het woordenboek, filosofie of gecodeerde taal? En hoewel die bedenking begrijpelijk is, willen we het hier toch gewoon heel graag hebben over “de taal”. Gaandeweg zal de welwillende lezer meer duidelijk worden.

// Wittgenstein schreef: “Onze taal is te beschouwen als een oude stad, een wirwar van steegjes en pleintjes met oude, vervallen en opgeknapte huizen, en huizen waar in verschillende tijden nieuwe stukken zijn aangebouwd; en dit alles omgeven door een groot aantal jongere buitenwijken, met rechte en regelmatige straten en gelijkvormige huizen.”

// Een goede vergelijking of metafoor laat ons door een aantal treffend aangewezen overeenkomsten (en zeker ook verschillen) zien wat de karakteristieke eigenschappen van een bepaald fenomeen zijn. Het stelt in staat afstand tot het fenomeen te nemen, afstand die nodig is om te kunnen zien. Zoals hier, waar door middel van taal iets over de aard van taal wordt gezegd.

// Voor iemand die z’n leven lang pretendeerde nooit vanuit een bepaalde theorie te werken, heeft Wittgenstein het toch verdacht vaak over de taal, als ware het een in meer of mindere mate expliciet gedefinieerde entiteit.

“Die Sprache muss für sich selbst sprechen.”

// Wat zegt ons Wittgensteins vergelijking van “onze taal” met een oude stad? Dat taal iets is wat door en met de tijd is gevormd, iets waaraan voortdurend gewerkt wordt, iets wat in het begin niet zozeer vanuit regels, maar eerder ongecoördineerd tot stand is gekomen, iets wat voortdurend aan verandering onderhevig is, wat zich mettertijd uitbreidt, waarbinnen verschuivingen optreden, iets waar mensen zich in bewegen en wat door mensen is vormgegeven, iets wat over de tijd heen meer en meer geformaliseerd en gefunctionaliseerd is door logica, programmering en planning, en iets waarvan onderdelen gerenoveerd en aangepast kunnen worden, een nieuw of hernieuwd gebruik, of een andere bestemming kunnen krijgen.

// En hoewel het meeste daaraan interessant en misschien zelfs treffend is, is het beeld toch behoorlijk beperkend en zelfs misleidend. Beperkend omdat het nog teveel vragen onbeantwoord laat, bijvoorbeeld over de aard van taal, over betekenis van en bedoelingen met taaluitingen, over interpretatie e.d.. Want uit welk materiaal is de taal hier gemaakt? Stenen, cement, hele huizen, straten, water? En is één huis dan een woord, of een verzameling aan woorden? Een verhaal zelfs? En welke betekenis heeft zo’n taaluiting? Wonen? Werken? Recreëren? En verder? Taal is toch meer dan dat?

// De stad lijkt hier alleen de fysiek gebouwde stad te betekenen. Maar is het politieke systeem niet evengoed een onderdeel, de overheid, de verenigingen, het sociale verkeer, de mensen? Maar als je dat er allemaal bij gaat betrekken – wat eigenlijk wel zou horen – dan blijft er van de hele vergelijking weinig over.

// Hoe verhoudt de talige mens zich tot taal, als taal het materiaal is waarin hij woont en werkt (de fysieke stad)? Die fysieke stad verschilt duidelijk wezenlijk van het materiaal waarmee de talige mens doorgaans denkt en communiceert?

// Het misleidende zit hem in het gecreëerde beeld, dat ons de taal op een manier laat concipiëren, die geheel niet in overeenstemming is met hoe taal is. Want zo’n oude stad is in kaart te brengen, Wittgenstein beschrijft die stad zelfs alsof hij op het moment zelf boven die plattegrond hangt. Nee, je hoeft ook niet in die stad te zijn geweest om zo’n beeld te schetsen!

// Wat in kaart te brengen is, is telbaar, wat telbaar in kaart te brengen: een verzameling, heeft grenzen, is eindig.

// De oneindige verzameling is een wiskundige uitdaging die ons voorstellingsvermogen te boven gaat.

// Waar ik later graag verder op in wil gaan, maar waarvoor nu nog niet het moment is, dat is de vergelijking van de taal met gereedschap. Een vergelijking waarbij juist de verschillen dingen inzichtelijk maken.

// Als we het over “de taal” hebben, of over “onze taal”, dan moet daarmee wel de gehele taal bedoeld zijn, zeker als we daar een niet nader omschreven metaforisch beeld bij gebruiken, om het van betekenis te voorzien. De gehele taal, dé verzameling van alle taal… Zo’n idiote poging om iets uit te zeggen wat zo algemeen mogelijk van toepassing op iets is, is als zodanig hooguit te beschouwen als een intellectuele hobby en niet meer. Wat er echter mee wordt beoogd, is toch meer dan dat. Een totaal ander perspectief op een bepaald fenomeen is soms noodzakelijk voor een nieuwe ingang tot datzelfde fenomeen, een ingang die ons leidt naar een hernieuwde duiding van de bijzondere eigenschappen en gebruiken van dat fenomeen. Met betrekking tot taal is dat best nodig, er is zoveel taal, zoveel betekenis, dat het voor een individu geen eenvoudige opgave is om daar in het eigen leven een weg in te vinden. Wat is mijn taal? Hoe wil ik spreken over de dingen? Wat voor betekenis wil ik geven aan de dingen, aan de wereld, aan deze werkelijkheid, aan dit leven?

// Ik noem dit taalvervuiling, een vorm van vervuiling die qua effect het meest verwant is aan lichtvervuiling. Los van dat er veel slecht licht is en ook nogal wat totaal overbodig licht, waarderingen waar ik hier verder niet op in wil gaan, is er bovenal heel veel licht.

// Mensen die leven in een omgeving die aan lichtvervuiling leidt, zien niets voorbij die vervuiling, zien niet de heldere sterrenhemel boven zich. Hun zicht reikt zo ver als hun eigen projecties. Bij taalvervuiling is dat niet anders. Het web van duidingen, meningen, feiten, visies, ideologieën, doelen en intenties is zo dicht geweven, ons bewustzijn is zo doorweekt van taal, dat een waarneming of ervaring die daar niet primair door wordt gestuurd en gevormd, vrijwel onmogelijk is.

// Als we het over “het gereedschap” hebben, dan bedoelen we al het gereedschap in de wereld. Als we ons al het gereedschap in de wereld proberen voor te stellen, dan vormt zich waarschijnlijk het beeld van een enorme, gigantische berg, bestaande uit een eindig aantal stukken gereedschap.

// Wat allemaal tot de categorie gereedschap behoort, doet er even niet zozeer toe. Laten we het voor nu beperken tot al het materieel dat is ontworpen en gemaakt met de bedoeling om te bewerken… wat echter overduidelijk een probleem vormt wanneer we het willen hebben over het gebruik dat ervan gemaakt wordt: denk aan een wapen, dat gedefinieerd kan worden als werktuig dat is ontworpen en gemaakt met de intentie om… Maar hoe zit het dan vandaag de dag met vrachtwagens?

// Hoe dan ook, al het gereedschap in de fysieke werkelijkheid, op dit moment, moet wel – per definitie – uit een eindig aantal bestaan, telbaar, en dus voorstelbaar.

// Misschien dat het niet lukt om de hele berg van alle kanten te bekijken, maar ons voorstellingsvermogen heeft niet veel moeite er iets van te maken, waarbij de delen die we ons voorstellen helder van elkaar onderscheiden en in aantallen te vatten zijn.

// Hoe anders is dat wanneer we ons de taal proberen voor te stellen! Hoe moeten we ons die verzameling van alle taal voorstellen? Welk vat kan haar bevatten? Het gevoel dat we krijgen in de poging ons de taal voor te stellen is niet behaaglijk, niet comfortabel. De een wordt daar echter door getriggerd, terwijl de ander het onaangenaam vindt en afhaakt.

// Heb je de taal als je alle woorden hebt verzameld? Een immens woordenboek? Dat zegt niets. De betekenis van die woorden behoort evengoed tot de taal. En welke instantie gaat bepalen wat de uitputtende betekenis is? De verschillen in uitleg van de betekenis van woorden, begrippen, concepten, behoren evengoed allemaal tot de taal.

// Zou je dan niet eigenlijk al het gebruik van taal moeten verzamelen? Al het gebruik dat alle mensen op een bepaald moment maken of door de tijd heen en hebben gemaakt. Hoe onmogelijk is dat? Veel – zo niet alle – woorden kunnen in verschillende context een andere betekenis hebben.

// De dynamiek speelt je parten, grenzenloos en ontelbaar, niet te beheersen, zowel vanuit praktisch oogpunt, maar ook elke poging om je er überhaupt iets bij voor te stellen klapt als een te snel opgeblazen ballon.

// Iedereen op de wereld levert al z’n gereedschap in, bij een nog te bepalen instantie, fabrikanten stoppen met produceren en alles wat op voorraad in de magazijnen en winkels ligt, wordt opgehaald. De kosten van deze hele onderneming zijn gigantisch, maar niettemin voorstelbaar.

// Denk aan de anti-wapenlobby, die een dergelijke grootscheepse actie voor ogen moet hebben om alle wapens uit de wereld te helpen. Misschien niet realiseerbaar, maar wel degelijk voorstelbaar!

// Al het gereedschap in de wereld is uitsluitend te verzamelen als iedereen afziet van het gebruik ervan.

// Iets soortgelijks ligt vervat in Wittgensteins beschrijving van een oude stad: dat is er een van tekening, zegt niets over hoe de mensen erin zich bewegen, over hoe deze stad wordt gebruikt, over hoe erin wordt geleefd, ja zegt niets over de levensvormen die erbinnen bestaan! Als hij dat er wel in had verwerkt, in de vergelijking, dan was hij vervolgens tot de slotsom gekomen dat het beeld van de steegjes en de oude en nieuwere gebouwen nogal zinloos is en in feite alleen maar stoort, omdat “onze taal” uiteindelijk bepaald wordt door de manier waarop wij met haar omgaan.

// Gereedschap is per definitie iets (een materieel) wat iets anders (een materiaal) bewerkt. Voor de duidelijkheid: er is wel degelijk bewerkende taal (die werkelijkheden schept, die zienswijzen verandert, et cetera), maar ten eerste is taal lang niet altijd iets wat iets anders bewerkt. Je kunt natuurlijk het benoemen van iets alleen al als een bewerking van het benoemde beschouwen (een vertaling), maar het is de vraag wat dat precies toevoegt aan ons begrip, nog los ervan dat het natuurlijk niet echt een bewerking te noemen is zoals gereedschap bewerkt, verandert, vormgeeft. Ten tweede is lang niet altijd duidelijk wat materieel is en wat materiaal. Denk aan het voorbeeld van de werkelijkheid, of aan een overtuiging, een fantasie, een geloof, een waarde, een doelstelling: wat is hier het materiaal, en wat het materieel?

// De verwijstheorie zit ons in de weg: het woord en —> het ding. Terwijl we toch heel veel woorden hebben voor zaken die geen dingen te noemen zijn!

// De taal is niet in kaart te brengen. De regels van correct taalgebruik en van logisch redeneren, representeren niet de taal, waaronder ook de enorme verscheidenheid aan gebruiken te verstaan is. De regels van het verkeer zijn ook geen adequate weergave van het daadwerkelijk verkeer.

// Een vergelijking die wat mij betreft op diverse vlakken tot de verbeelding spreekt, is die van taal als licht. Taal werpt of schijnt licht, taal verlicht, het gebruik bepaalt het licht en daardoor hoe het verlichte aan ons verschijnt, zij het in de waarneembare werkelijkheid of in de voorstelling.

// Het probleem van de telbaarheid of verzamelbaarheid van taal geldt ook voor licht. Verzamel al het licht en je zult nooit al het licht hebben. Licht glipt je door de vingers, zoals alleen taal dat kan. Verplaatst licht is niet meer hetzelfde licht. Van veel verdwenen licht is geen archeologisch spoor meer te vinden. Waar licht wordt weggehaald kan alleen duisternis overblijven. Al het licht verzamelen zou betekenen dat nergens nog kleur is.

// Maar het belangrijkste is wel dat zo’n verzameling van alle licht in het geheel niet voorstelbaar is. Niet voorstelbaar, en evenmin in kaart te brengen. Geen systeem op aarde is in staat om de speelse wispelturigheid van licht, de verandering en wording waar het constant aan onderhevig is, de diversiteit en de dynamiek ervan, in kaart te brengen.

// De Tractatus Logico Philosophicus, met z’n Elementarsätze, is in dit licht te vergelijken met de kleurentheorie van Isaac Newton, waar een fenomeen (licht) analyseerbaar is tot op z’n kleinste eenheden (de kleuren). De Philosophische Untersuchungen zijn vergelijkbaar met Goethe’s kleurenleer, die juist niet inzet op een analytische Zerlegung, maar op de zintuiglijke ervaring van kleur en het gebruik dat kunstenaars ervan kunnen maken, willen zij natuurgetrouw werken en mettertijd zelfs daaraan ontstijgen. Precies zo wil Wittgenstein filosofen in de Untersuchungen op een andere manier naar het fenomeen taal laten kijken.

// Waar verwijzing suggereert dat het benoemde of beschrevene reeds bestond voordat het werd beschreven of benoemd, en representatie zowel als verwijzing dat het om twee verschillende en van elkaar te onderscheiden dingen gaat, daar heeft taal als licht geen moeite met het inzichtelijk maken van de relatie tussen woord en ding, en van de verschillen tussen voorstelling en waarneming. Evenmin is er een probleem waar het woorden of taalgebruik betreft dat niet over iets in de waarneembare of feitelijke werkelijkheid gaat.

// Taal als licht heeft het over belichting, over kleur die in en door het gebruik wordt gegeven, over toon, over context, over helder en diffuus, over onduidelijkheid, over clara et distincta, over warmte en koude, over sfeer, inspiratie, perspectief, positionering, projectie, schaduwwerking,…

// Bij taal als licht komen vragen over de bron van het licht in een ander licht te staan, anders dan bij alle andere theorieën over de verhouding tussen taal en werkelijkheid. De spreker, de auteur, de niet nader te bepalen oorsprong (waar al dan niet op vertrouwd wordt)…

// Taal te begrijpen als licht biedt de mogelijkheid om taal te vatten als een vermogen dat zeer nauw verwant is of zelfs gelijk aan de waarneembare en voorstelbare werkelijkheid. Taal als noodzakelijk en accuraat bestanddeel van waarneming en kennis.

// In het gebruik van woorden als liefde, leven, zelf, zin, zorg en zorgen, representeren of verwijzen deze woorden dan ook niet zozeer, maar lichten liefde, leven, zelf, zin, zorg en zorgen daarin op. De wijze waarop ze oplichten hangt vervolgens af van de context waarin ze worden gebruikt, de zinnen, beschrijvingen, verhalen, verklaringen. Hetzelfde geldt evengoed voor een woord als tafel, dat niet de tafel representeert, maar een tafel belicht. Hetzij in de waarneembare werkelijkheid, hetzij in de verbeelding.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: